Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Walter advies

Onderdeel van Baggeren

 
 

Meetplan bodemdieren

Er bestaat geen gebiedsdekkende basismonitoring voor bodemdieren en sediment in het sublitoraal. Deze kunnen gecombineerd worden in één meetprogramma waarbij met meerdere instrumenten de bodem wordt bemonsterd. In dit meetplan is het onderdeel bodemdieren uitgewerkt. Het onderdeel sedimentsamenstelling is uitgewerkt in het meetplan Klimaat & Veiligheid.

Parameters

  • Soortensamenstelling, dichtheid en biomassa van bodemdieren
  • Sedimentkorrelgroottesamenstelling. Deze beschrijft de verhouding aan zandkorrels (<2 mm), slibdeeltjes (<63 µm) en lutumdeeltjes (<2 µm) van een bodemmonster van het sediment

Methodes

In de survey van 2008 (Dekker & Drent 2013) is een boxcore gebruikt om monsters te nemen voor het bepalen van de dichtheid en soortensamenstelling van bodemdieren. Voordelen van een boxcore zijn dat het bemonsterde oppervlak nauwkeurig bekend is en dat al het sediment met de bodemdieren over een fijne zeef (1 mm) kan worden gehaald. Dit levert inzicht in de samenstelling van soorten op, inclusief de kleine wormen. Een nadeel is dat het bemonsterde oppervlak klein is (0,06 m²). In de Voordelta en Noordzee wordt daarom vaak een bodemschaaf als additioneel instrument gebruikt.

Een bodemschaaf (Figuur 2) neemt langgerekte monsters over een groot oppervlak. De bodemschaaf van IMARES neemt een monster van 10 cm breed en 10 cm diep over een lengte van meestal 150 m, overeenkomend met een oppervlakte van 15 m². De monsters worden gezeefd over een grove zeef (5 mm). Dit betekent dat een bodemschaaf een representatief monster neemt van de grote bodemdieren, zowel infauna (in de bodem levend) als epifauna (op de bodem levend). Uit onderzoek in de Waddenzee is gebleken dat de bodemschaaf niet diep genoeg steekt om de schelpen van Ensis en Mya te bemonsteren. In het monster zitten de bovenkanten van de sifons, in plaats van de schelp. Door het tellen van de sifons wordt een bestandsschatting gemaakt, maar dit levert een onderschatting op van de biomassa.

Craeymeersch et al. (2007) ontwikkelden een diep stekend monstertuig dat een soort hybride is tussen een boxcore en een bodemschaaf en daarom ‘semi-dredge’ of ‘semi-grab’ wordt genoemd (Figuur 3). Dit monstertuig neemt een 25 cm diep monster met een oppervlakte van 0,4 m². Jansen et al. (2008) pasten dit monstertuig toe in de Waddenzee en vonden een onderschatting van de biomassa van Mya en Ensis met minimaal een factor 7 (Tulp et al. 2010). De semi-dredge is nog niet operationeel toepasbaar.

Veldprotocol

Monsters worden vanaf een schip genomen. Op iedere locatie worden twee monsters genomen, één met een boxcore en één met een bodemschaaf. Datum, tijd, positie en waterdiepte worden geregistreerd en voor de bodemschaaf ook de treklengte zoals bepaald door het meetwiel. Met de bodemschaaf wordt een monster genomen met een oppervlakte van 15 m². De bemonsterde soorten worden aan dek gebracht en ter plaatse gesorteerd, geteld en gewogen (nat gewicht). Met de boxcore wordt een monster genomen met een oppervlakte van 0,06 m². De boxcore dient minimaal 25 cm diep te steken om representatief te zijn voor dieplevende bodemdieren als Mya en Ensis.

Na monstername wordt het bovenstaande water afgezogen en wordt bepaald hoeveel sediment er is gestoken. De monsters worden gezeefd over een 1 mm zeef en overgebracht in potten met 6% gebufferde formaldehyde-oplossing, en gekleurd met Bengaals roze. Wanneer veel organismen zichtbaar zijn aan de oppervlakte van een monster, wordt een oppervlakkig submonster genomen en op dezelfde wijze behandeld. De monsters worden verzameld en naar een laboratorium gebracht. In het laboratorium worden de monsters gespoeld om de formaldehyde te verwijderen. Individuen worden eerst met het blote oog gesorteerd en daarna (met behulp van binoculair) op soort gebracht, met uitzondering van soortgroepen als Nemertiden, Oligochaeten en zeepokken. De lengte van schelpen, krabben en garnalen wordt gemeten. Van alle organismen wordt het asvrij drooggewicht bepaald.

Meetgebied

In het SIBES programma worden jaarlijks bodemdier monsters genomen van de droogvallende delen van de Waddenzee in een regelmatig grid van 500×500 m. Het is wenselijk bodemdier monsters in sublitorale delen te nemen met een identieke gridafstand van 500×500 m.

Meetperiode

Als basismonitoring voor de Waddenzee wordt voorgesteld deze bemonstering ieder jaar te verrichten. Met jaarlijkse bepalingen kunnen trends in temporele veranderingen worden gedetecteerd die met een minder hoge frequentie onopgemerkt blijven.

Referenties