Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Informatiebehoefte

Onderdeel van Gas- en zoutwinning

 
 

Risico's van winning

Bij proefboringen en de winning van delfstoffen uit de diepe ondergrond kunnen ongelukken gebeuren. Als het om olie gaat, hebben zulke ongelukken potentieel zeer grote negatieve gevolgen voor milieu en natuur (Jernelov, 2010). Voor gas en steenzout worden de risico’s veel lager ingeschat en de effecten via bodemdaling en aardbevingen belangrijker geacht. De risico’s van ongelukken kwamen in het verleden soms ter sprake, maar zonder vervolg. Tijdens de maatschappelijke discussie over de mechanische schelpdiervisserij, bijvoorbeeld, werd geopperd dat het giftige nonylfenol was vrijgekomen door een ongeluk met boorspoeling bij Terschelling in 1988; dit zou grote schade aan de schelpdierpopulaties veroorzaakt hebben (Sloothaak, 1997). Noch in de wetenschap, noch in de politiek vond deze suggestie veel weerklank. Dit themadossier richt zich daarom op de effecten van bodemdaling voor de natuur. De gevolgen voor de waterveiligheid komen aan bod in themadossier Klimaat & Veiligheid.

Bodemdaling

Bodemdaling, meegroeivermogen en natuurgrenzen
De daling in de ondergrond hangt af van de delfstof. Bij de winning van gas wordt geen gesteentemateriaal weggehaald, zoals bij de winning van vaste delfstoffen. De gesteentelagen waarin gas voorkomt blijven intact, ze worden slechts door de druk van de bovenliggende lagen in elkaar geperst. De eventueel optredende bodemdaling is in ordegrootte van centimeters tot decimeters, maar strekt zich doorgaans uit over een gebied van enkele kilometers. Het dalingsgebied is schotelvormig en de daling verloopt geleidelijk. De hoeveelheid daling hangt af van de gasdruk, de samendrukbaarheid en porositeit van het gesteente en de dikte van de gesteentelaag. Verder is de daling afhankelijk van de locatie, diepte van het veld, de vorm van de kom en de dikte en samenstelling van bovenliggende sedimentlagen (Figuur 3).

Bij de winning van zout uit de diepe ondergrond ontstaan lokale cavernes, die opgevuld worden met het (door de hoge druk en temperatuur) vloeibaar geworden naastgelegen zout (Figuur 4). Ook dit vertaalt zich in bodemdaling, maar de bodemdalingsschotel is enerzijds dieper, maar anderzijds in horizontale richting kleiner dan bij de winning van gas. In tegenstelling tot gas komt de winning van elke volume eenheid zout één op één overeen met dezelfde volume eenheid diepe bodemdaling.

Ook de aard van, en natuurlijke bewegingen in, de bovenliggende gesteentes bepalen hoe bodemdaling zichtbaar wordt aan het oppervlak (Speelman et al. 2009). De met bodemdaling gepaard gaande aardbevingen vormen een groot probleem in bewoonde gebieden vanwege onveiligheid en economische schade aan gebouwen en infrastructuur (Van der Voort & Vanclay, 2015). Het KNMI registreert aardbevingen via een netwerk van seismische apparatuur. Sinds het begin van de gasproductie uit de Ameland velden zijn er twee lichte aardbevingen door het KNMI op Ameland-Oost geregistreerd, beide met een magnitude van 1,8 op de schaal van Richter. Uit onderzoek van KNMI en TNO blijkt dat er boven velden vergelijkbaar met Ameland-Oost, jaarlijks gemiddeld twee bevingen met magnitude boven 1,5 op de schaal van Richter (d.w.z. voor mensen voelbaar) kunnen optreden (Ketelaar et al. 2011). De kans op ongelukken als gevolg hiervan, zoals de breuk van een oliepijpleiding, dient meegenomen te worden in de monitoring van effecten van gaswinning (Auditcommissie 2014b). Aardbevingen kunnen ook leiden tot verweking (liquefactie) van de bodem. De kans dat hierdoor schade optreedt aan dijken wordt echter als zeer klein ingeschat (Kruse 1998). De kennis over aardbevingen door gaswinning is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Het is dan ook zinvol om na te gaan of waterkeringen tegen zulke aardbevingen bestand zijn, en eventuele schade te monitoren.

Informatiebehoefte en monitoringvragen in het waddengebied richten zich vooral op de effecten van bodemdaling (Oost et al. 1998). De verandering aan het aardoppervlak bepaalt hoe bodemdaling doorwerkt op de beschermde flora en fauna, ofwel de natuurwaarden. De bescherming daarvan is, evenals de bijbehorende regelgeving en vergunningverlening, ingrijpend veranderd (Verbeeten, 1999). Bij het tegenwoordig gangbare principe van ‘hand aan de kraan’ is vastgesteld hoe snel de bodem maximaal mag dalen (aangeduid als de natuurgebruiksruimte) zonder meetbare schade aan de natuurwaarden. Via uitgebreide monitoring wordt geregistreerd of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Mocht dat niet het geval zijn, dan kan het bevoegd gezag besluiten tot (gedeeltelijke) sluiting van de ‘winningskraan’. Stopzetting van de winning zal de bodemdaling echter niet onmiddellijk doen stoppen. Dit leidt tot de volgende vraag:

  • Hoe lang zal de bodemdaling na-ijlen, mocht de winning worden verminderd of zelfs geheel worden stopgezet

Meegroeivermogen

Het meegroeivermogen van kwelders en wadplaten bepaalt de natuurgebruiksruimte (Hoeksema et al. 2004NAM 2007). De gaswinning onder Ameland en bij Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen wordt gereguleerd door de natuurgebruiksruimte in de kombergingen Pinkegat (Figuur 6) en Zoutkamperlaag (Figuur 7). De voorgenomen winning van steenzout wordt gereguleerd door de natuurgebruiksruimte in de kombergingen Vlie (en Marsdiep) (Figuur 8). In de onderliggende berekeningen wordt de bodemdaling uitgesmeerd over de hele komberging, ook wel aangeduid als getijdenbekken. De komberging wordt namelijk gezien als natuurlijke eenheid waarbinnen sediment wordt gedeeld (Cleveringa & Grasmeijer, 2010; NAM 2014a).

Het meegroeivermogen is de snelheid waarmee sediment kan worden aangevoerd, zodat het systeem van platen en geulen in een dynamisch evenwicht in stand blijft. Als de zeespiegel sneller stijgt, of de bodem sneller daalt, zullen de wadplaten uiteindelijk verdrinken (Oost et al. (2014). Dit is een aannemelijk scenario met het oog op de breed gedragen verwachting van versnellende zeespiegelstijging (KNMI 2014). Dat moment ligt ver in de toekomst en ook het proces van verdrinking zal lang duren (Louters & Gerritsen, 1994). Door vele menselijke ingrepen in de afgelopen eeuwen (met name bedijkingen) kunnen natuurlijke sedimentatieprocessen zich tegenwoordig alleen binnen harde grenzen afspelen. In de afgelopen eeuw was de sedimentatie in de Waddenzee meer dan voldoende om de zeespiegelstijging bij te houden. Het sediment is vooral afkomstig van de slinkende buitendelta’s (ook wel eb-getijde-delta) en sedimentatie vindt vooral plaats waar na afsluiting van Zuiderzee en Lauwerszee een versterkte vraag naar sediment is (Elias et al. 2013); zie ook Figuur 5.  Suppleties op het strand en de vooroever (en misschien ook de buitendelta) zullen nodig zijn om deze vraag te compenseren (Elias et al. 2013).

Natuurgrenzen

De berekening van de natuurgrenzen is omgeven door tal van onzekerheden en de dynamiek van het systeem is groot. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat suppleties in de kustzone van Ameland geen duidelijk effect hadden op de duinontwikkeling aldaar (De Jong et al. 2014). Ook worden schattingen van de lokale zeespiegelstijging beïnvloed door de 18,6 jarige Saros cyclus (Baart et al. 2011) en jaarlijkse variatie in windpatronen. Om die reden zijn de aannames in de berekeningen aan de veilige kant; de vastgestelde natuurgrenzen liggen daardoor waarschijnlijk onder het niveau waarop de wadplaten zullen verdwijnen. Voortschrijdend inzicht kan echter tot andere conclusies leiden. De integrale bodemdalingsstudie Waddenzee (Oost et al. 1998) staat aan de basis van de schattingen van het meegroeivermogen. Daarbij zijn twee benaderingen gekozen:

  • Een morfologisch adaptatiemodel AEGHIS (Algemeen Empirisch Geologisch Historisch Systeem-model), gebaseerd op empirische wetmatigheden en historische en geologische informatie over veranderingen in delen van het waddengebied (opvulling zandwinputten, sedimentatie in relatie tot zeespiegelstijging, enz.) Het model is ontwikkeld door Albert Oost van de Universiteit van Utrecht.
  • Modellen die sedimenttransport beschrijven, zoals ASMITA (Aggregated Scale Morphological Interaction between a Tidal basin and the Adjacent coast), (Van Goor et al. 2003)

AEGHIS schat het meegroeivermogen lager in dan ASMITA, maar volgens beide modellen zullen grotere bekkens langzamer opvullen dan kleinere, en bijgevolg eerder verdrinken. Het Pinkegat is een kleinere komberging dan de Zoutkamperlaag en daarom is de natuurgrens van 6 mm/jaar (Figuur 6) hoger dan de 5 mm/jaar voor de Zoutkamperlaag (Figuur 7). Cleveringa & Grasmeijer (2010) hebben op basis van de nieuwste inzichten op vergelijkbare wijze een natuurgrens berekend van 5 mm/jaar voor de voorgenomen zoutwinning onder de Waddenzee (Figuur 8). Oost et al. (1998) nemen aan dat 90% van het benodigde sediment uit zand bestaat, maar Cleveringa & Grasmeijer (2010) komen uit op 67% voor de Ballastplaat en omgeving. De volgende vragen blijven actueel:

  • Kloppen de berekende natuurgrenzen in het licht van voortschrijdend inzicht
  • Wat bepaalt de sedimentatiesnelheid
  • Wat is de rol van sedimentaanvoer
  • Hebben de verschillen in sedimenttransport tussen zand en slib consequenties voor de reactie van het systeem op de bodemdaling
  • Hebben suppleties in de Noordzeekustzone effect op de samenstelling van het sedimentaanbod
  • Is de zeespiegelstijging in lijn met de aangehouden scenario’s

Voor monitoring van de zeespiegelstijging zie themadossier Klimaat & Veiligheid. Over de gemonitorde bodemdaling wordt jaarlijks gerapporteerd. Daardoor is goed bekend hoeveel daling tot heden in de ondergrond van het waddengebied plaatsvond als gevolg van gaswinning door de NAM (Figuur 9).

De monitoringgegevens worden ook gebruikt om de voorspellingen over de bodemdaling (het volume en de vorm, met name het diepste punt, van de bodemdalingsschotel in de loop van de tijd) te toetsen en zo nodig bij te stellen (onderstaande Tabel 1). In opdracht van de Inspecteur-Generaal der Mijnen en begeleid door de wetenschappelijke begeleidngscommissie bodemdaling van de Waddenacademie laat de NAM ook momenteel onderzoek uitvoeren naar de fysische achtergronden van de waargenomen tijdsafhankelijke effecten in het bodemdalingsgedrag, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de bodemdaling op langere termijn. Dit betekent dat de volgende vraag steeds actueel blijft:

  • Welke processen in de ondergrond veroorzaken het verschil tussen voorspelde en waargenomen bodemdaling
Prognose Diepte
in cm
Volume
(106m3)
Bijdrage
zandhonger
Waddenzee
(106m3)
Bijdrage
zandhonger
Ameland
(106m3)
Bijdrage
zandhonger
Noordzee-
kustzone
106m3)
1985 21-31 (26) 28 22,5
1991 14-22 (18) 18 14,5
1998 28-32 (28) 14-18 10
2003 31-37 (34) 22 9
2011 37-42 (39) 20 5 3 12

Tabel 1. Toont de verwachte bodemdaling door de gaswinning onder Ameland in het diepste punt van de bodemdalingsschotel, het dalingsvolume, en het ‘zandhongervolume’ aan het einde van de winning, zoals bepaald met de verschillende prognoses. Bron: Ketelaar et al. (2011).

Effecten op natuurwaarden

Effecten van bodemdaling op natuurwaarden
De natuurwaarden in het waddengebied mogen op grond van het ‘hand aan de kraan’ principe niet lijden onder de bodemdaling. Of dit gebeurt, wordt in sterke mate bepaald door het type aardoppervlak: Binnendijkse gebieden kunnen niet alleen te maken hebben met bodemdaling door gas- of zoutwinning, maar ook met bodemdaling door inklinking van klei of veen. Het belangrijkste effect is een verandering in waterhuishouding. Duinen en duinvalleien variëren in stabiliteit, en dus meegroeivermogen, afhankelijk van de ouderdom en hoogteligging. Ook hier is veranderende waterhuishouding het belangrijkste effect van bodemdaling. Op kwelders is de verandering van maaiveldhoogte een optelsom van bodemdaling, inklinking en opslibbing, waarbij de mate van opslibbing binnen de kwelder sterk varieert. Aan de kwelderrand kan kliferosie voorkomen. Op het natte wad verandert de grens tussen land en water voortdurend als gevolg van het getij. Op de wat langere termijn is ook de morfologie van platen en geulen voortdurend in beweging. Bodemdaling onder het natte wad komt neer op onttrekking van sediment met een volume dat overeenkomt met het volume van het onder het wad liggende deel van de bodemdalingsschotel. Mede als gevolg van de dynamiek van de platen en de geulen is het echter nog niet gelukt bodemdaling eenduidig aan het oppervlak van het sediment te meten. Onderstaand worden informatiebehoefte en monitoringvragen in meer detail behandeld.

Binnendijkse gebieden
Het Lauwersmeer is een binnendijks natuurgebied dat door bodemdaling wordt beïnvloed. Diepe bodemdaling leidt hier tot maaivelddaling en veranderingen in de overstroming van oeverlanden, wat kan doorwerken op flora en fauna. De overstromingen hangen ook samen met neerslagpatronen en peilbeheer. Vegetatieveranderingen worden mede bepaald door het gevoerde natuurbeheer (begrazing, maaibeheer), wat ook effect zal hebben op de vogelbevolking. Monitoring van grondwaterpeil, bodemchemie, vegetatie en vogels laat (meestal kleine) veranderingen zien in de periode 2007-2012, maar een duidelijk verband met bodemdaling kan niet worden gelegd (Bijkerk et al. 2013Roodbergen et al. 2013a). Daardoor blijft actueel wat het effect van bodemdaling is op:

  • Overstromingsfrequentie van oeverlanden
  • Grondwaterpeil
  • Bodemchemie, inclusief chemie van het grondwater
  • Vegetatie
  • Vogels

Duinen en duinvalleien
Duinvalleien waar de bodem daalt, worden overwegend natter; valleien waar zeewater in kan komen, krijgen na jaren met hoge (zee)waterstanden een andere vegetatie met minder glycofyten (planten van zoete omstandigheden) en meer halofyten (kwelderplanten). Dat zouteffect verdwijnt wanneer het zeewater enkele jaren niet tot in de valleien komt, tot er opnieuw instroom plaatsvindt. De kans hierop neemt toe door de bodemdaling. De droge duinvegetaties vertonen geen effecten van bodemdaling. Monitoring daarvan is van belang, omdat ze effecten laten zien van toenemende voedselrijkdom (verruiging en verstruweling als gevolg van verhoogde nitraatgehaltes in regenwater). Daardoor kunnen effecten van bodemdaling worden gescheiden van effecten die daar niet mee van doen hebben (Van Dobben et al. 2011Slim et al. 2011a). Daardoor blijft actueel wat het effect van bodemdaling is op:

  • Overstromingsfrequentie van laag liggende duinvalleien
  • Grondwaterpeil
  • Bodemchemie, inclusief chemie (vnl. zoutgehalte) van grondwater
  • Vegetatie

Kwelders
Of diepe bodemdaling op kwelders resulteert in maaivelddaling, hangt ervan af of opslibbing in staat is om te compenseren voor bodemdaling en inklinking. Binnen de Waddenzee varieert de opslibbing sterk, waarschijnlijk in samenhang met sedimentatie of erosie op het aangrenzende wad. De sedimentatie aldaar correleert veelal positief met die op de kwelder (Van Duin et al. 2013Van Wesenbeeck et al. 2014). De hoogste opslibbingswaarden van gemiddeld ca. 1 cm per jaar worden bereikt op de halfnatuurlijke vastelandskwelders (Van Duin et al. 2013). Op de eilandkwelders bedraagt de gemiddelde snelheid rond 0,5 cm per jaar. Ook binnen een kwelder bestaan er grote verschillen in opslibbingssnelheid; deze zijn grotendeels gerelateerd aan de maaiveldhoogte en de afstand tot wadrand en kreken. Op Ameland bedraagt de opslibbing dicht bij de wadrand en langs de kreken ca. 9 mm per jaar, voldoende om de bodemdaling te compenseren. Verder van de wadrand en de geulen is de opslibbing echter minder dan 3,5 mm/jaar en daarmee meestal onvoldoende (Dijkema et al. 2011).

Effecten van maaivelddaling op de vegetatie zijn ‘vertraagd’ en minder sterk dan aanvankelijk gedacht; er is wel regressie (teruggang naar een eerder successiestadium), maar in veel gevallen gaat de vegetatiesuccessie voort of is de vegetatie stabiel, ondanks de daling (Dijkema et al. 2011). Ook de verwachting dat de snelheid van opslibbing op een bepaalde locatie toeneemt als de bodem daalt, kon tot heden niet bevestigd worden. Kwelders kunnen niet alleen opslibben maar ook van nature eroderen. Dit treedt op wanneer de vloeiende overgang van wad naar pionierszone naar lage kwelder is vervangen door een abrupte overgang van wad naar kwelder. Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat de snelheid van erosie samenhangt met bodemdaling (Slim et al. 2011b). Plaatsing van rijshouten dammen kan sedimentatie in het gebied vóór de eroderende kwelder stimuleren en het proces van erosie stoppen. De volgende vragen blijven actueel:

  • Onder welke condities verdient het aanbeveling om rijshouten dammen te plaatsen om het erosieproces te keren
  • Hoe groot is de inklink van het kweldersediment
  • In hoeverre wordt de snelheid van opslibbing beïnvloed door bodemdaling; meer specifiek: neemt met bodemdaling de totale hoeveelheid sedimentatie toe of wordt het anders over de kwelder verdeeld
  • Wat is het effect van bodemdaling op de ontwikkeling van de kweldervegetatie; wat zijn de kritische grenzen voor bodemdaling voor de verschillende vegetatietypen
  • Kunnen ook de delen verder van het wad op den duur weer opslibben als gevolg van toenemende inundatiefrequentie en aanpassingen van krekenpatronen

Bodemdaling verhoogt het risico op overspoeling van nesten en jongen van kwelderbroedvogels (Krol & Hallmann, 2011; Hallmann & Ens, 2011). Door een verandering van windpatronen is dit risico toegenomen in de afgelopen decennia (Van de Pol et al. 2010a). Voor berekeningen van het overstromingsrisico bij verschillende scenario’s van bodemdaling en zeespiegelstijging wordt (noodgedwongen) een opslibbingsmodel gebruikt dat beperkingen kent. Hierin hangt de opslibbing af van de hoogte, maar niet van de afstand tot de kwelderrand of geul, of de opslibbing op het aangrenzende wad (Van Wijnen & Bakker, 2001). Ondanks deze beperkingen kwam de gemeten opslibbingsnelheid goed overeenkwam met de door het model voorspelde snelheid (Hallmann & Ens, 2011). De volgende vragen zijn actueel:

  • In welke mate verhoogt bodemdaling het overstromingsrisico van lokale kwelderbroedvogels
  • Is het mogelijk een meer realistisch opslibbingsmodel te formuleren, om scenarioberekeningen uit te voeren over de te verwachten effecten op het overstromingsrisico
  • Is er een meetbaar effect van een toename van het overstromingsrisico op de populatiedynamica van kwelderbroedvogels

Natte wad
De sterkste daling door gaswinning van de ondergrond onder het natte wad doet zich voor ten zuiden van Ameland. Op het gros van de meetstations voor de zogenaamde spijkermetingen (Krol, 2013) in het bodemdalingsgebied is de snelheid van opslibbing aanzienlijk hoger dan de snelheid van daling: terwijl de ondergrond daalt, stijgt de wadbodem (De Vlas, 2011). Deels komt dit doordat er geen spijkermetingen plaatsvinden in gebieden met sterke erosie. Echter, ook de minder nauwkeurige, maar gebiedsdekkende metingen van de bathymetrie tonen geen duidelijk daling aan het wadoppervlak. Verschillende verklaringen, eventueel in combinatie, zijn mogelijk:

  • Natuurlijke dynamiek van wadplaten en geulen
  • Langzame morfologische compensatie van grote ingrepen zoals afsluiting Lauwersmeer in 1968 (Wang, 2007)
  • Onnauwkeurigheden in metingen (Elias et al. 2013)

Ook suppleties in de Noordzee kustzone vanaf ca. 1980 spelen wellicht mee. Deze vergroten het aanbod aan sediment in de kustzone,en voorkomen daarmee kustafslag, maar hebben niet noodzakelijkerwijs invloed op de omvang van de sedimentaanvoer. De vragen die beantwoord moeten worden zijn:

  • Zijn eventuele effecten op de wadbodem meetbaar met nauwkeuriger meetmethoden
  • Is er voldoende sedimentaanbod en transportcapaciteit om de bodemdaling ook op langere termijn te compenseren

Als de wadbodem daalt en het wad minder lang droog ligt, heeft dit effect op de tijd waarin bodemdieren en wadvogels naar voedsel kunnen zoeken. Voor de meeste bodemdieren zal dit een verlenging van de foerageertijd betekenen en voor de meeste wadvogels juist een verkorting. Modelberekeningen over het effect van een uniforme daling van enkele centimeters, binnen een periode van enkele decennia, voorspellen een tijdelijke afname in de draagkracht voor Scholeksters van 4,9% per cm uniforme daling als de bodemdieren niet ‘meeschuiven’ en 1,5% als de bodemdieren dat wel doen (Rappoldt & Ens, 2013); het laatste wordt aannemelijk geacht (Beukema, 2002). Statistische analyses, waarin bodemdalingsgebieden worden vergeleken met gebieden zonder bodemdaling, laten veranderingen zien maar noch voor de bodemfauna (Compton et al. 2013), noch voor de vogels (Kersten & Rappoldt, 2011; Ens et al. 2014) kunnen die veranderingen aan bodemdaling worden toegeschreven. De volgende vraag blijft actueel:

  • Zijn er meetbare effecten van bodemdaling op de bodemdieren en de wadvogels die op de wadplaten naar voedsel zoeken

Dynamiek
Het waarschijnlijk grootste probleem bij de pogingen om het effect van bodemdaling op flora en fauna in de Waddenzee te bepalen, is de systeemdynamiek met name geomorfologische processen. De schaal van geulen, wadplaten en kwelders is in hoge mate bepalend voor de natuurwaarden, maar de soms cyclische veranderingen op deze schaal spelen over een termijn van decennia (Figuur 10). Dit zijn juist de processen die het gebied bijzonder maken, maar ze zijn moeilijk te modelleren. Dit maakt het lastig om het effect van bodemdaling te bepalen, in het bijzonder op het natte wad. Het is ook moeilijk om goede referentiegebieden te vinden. De meeste studies zijn beschrijvend van aard en leiden tot empirische vuistregels.

De grootste bodemdaling door gaswinning vond plaats bij Ameland en de komberging van het Pinkegat. In de monitoring is aan deze grootschalige processen veel aandact besteed. (De Vlas, 2011). Het zandvolume in de zeereep nam toe in de periode van bodemdaling, waarschijnlijk (maar lastig vast te stellen) mede als gevolg van zandsuppleties op West-Ameland (De Jong et al. 2011). De oostpunt van Ameland vertoont regelmatige cycli van aangroei en afslag. Als gevolg van het geulgedrag van het zeegat ten oosten van Ameland is de aangroeifase, die naar verwachting tot ongeveer 2010 zou duren, vanaf 1998 omgeslagen in afslag. De afsluiting van de Lauwerszee in 1969 speelt wellicht mee, de eventuele rol van bodemdaling door gaswinning is onduidelijk. Ook de verlaging van de Engelsmanplaat is waarschijnlijk een gevolg van de afsluiting van de Lauwerszee. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de erosie is versterkt door bodemdaling. Aan de zuidrand van de Amelander kwelders bevindt zich een afslagrand, vooral langs de Oerderduinen. De afslag vindt plaats vanaf 1979 (dus van vóór de start van de gaswinning) met een snelheid van 2,4 m/j en neemt na 1990 af tot 1,4 m/j. In de periode 2000-2009 bedraagt de afslag 0,7 m/j. Als er een effect van bodemdaling zou zijn, dan was een versnelling van de afslag verwacht. Het afslagproces lijkt eerder samen te hangen met de dynamiek in de ‘eilandstaart’ (Slim et al. 2011b).

Conclusie
Er is behoefte aan modellen die de geomorfologische processen op de schaal van geulen, wadplaten en kwelders kunnen verklaren en voorspellen, en de bijdrage van bodemdaling zichtbaar maken.