Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Walter advies

Onderdeel van Gas- en zoutwinning

 
 

Verbetering integratie

Centralisatie via WaLTER website en dataportaal
De monitoring van effecten van bodemdaling door gas- en zoutwinning is gebaat bij meer integratie van onderdelen, zowel van een specifieke winning alsook van de verschillende winningen. Wat dat laatste betreft zou een belangrijke eerste stap bestaan uit het beschikbaar maken van de monitoringdata via een enkel dataportaal. Het uitgelezen instrument daarvoor is het WaLTER dataportaal, dat reeds een deel van de monitoringdata beschikbaar maakt. De resultaten worden op verschillende plaatsen beschikbaar gesteld:

Rapporten van de verschillende auditcommissies zijn soms te vinden op de website van de bijbehorende winning, soms alleen op die van de commissie MER: www.commissiemer.nl/advisering/afgerondeadviezen. Het verdient aanbeveling al deze monitoringrapporten op een centrale plek beschikbaar te maken.

Een dergelijke centrale toegang tot data kan ook borgen dat de verschillende onderzoekers dezelfde gegevens gebruiken, zoals hoogtekaarten van de Waddenzee uit verschillende perioden. Goede en betrouwbare hoogtekaarten zijn een conditio sine qua non voor onderzoek aan de effecten van bodemdaling. Door Deltares zijn voor vijf verschillende perioden hoogtekaarten gemaakt van de Waddenzee, aangeduid met cyclus1 (1981-1989) t/m cyclus5 (2006-2012), voorzien van een grondige documentatie (Elias & Wang, 2013). Deze kaarten liggen aan de basis van het WaLTER informatieproduct InterTides waarmee o.a. droogvalduurkaarten kunnen worden berekend (Rappoldt et al. 2014). In een periode van zes jaar worden de lodingen verricht waarop een hoogtekaart is gebaseerd. Voor cyclus5 zijn de laatste lodingen in 2013 verricht in de oostelijke Waddenzee en er is nu een nieuwe cyclus5 in omloop, waarin deze nieuwste data zijn verwerkt. Een grondige openbare documentatie van deze nieuwe hoogtekaart ontbreekt. Het verdient aanbeveling deze nieuwe cyclus5 aan te duiden met bijvoorbeeld cyclus5.1 en vergezeld te laten gaan van goede documentatie. De WaLTER website is daarvoor bij uitstek geschikt.

Monitoringprogramma’s – proxies voor draagkrachtberekening
In het nieuwe monitoringprogramma van bodemdaling door gaswinning vanaf de MLV locaties is gekozen voor een analysestrategie waarbij de op de wadplaten gemonitorde variabelen (bodemdieren, bodemhoogte, sedimentatie, waterstanden) worden geïntegreerd tot één variabele, die zo goed mogelijk de instandhoudingsdoelen representeert. Op de keper beschouwt vereist de in het aanwijzingsbesluit gebezigde term ‘draagkracht van het gebied voor een bepaalde hoeveelheid vogels’ toepassing van een draagkrachtmodel, zoals WEBTICS (Rappoldt et al. 2004). Op dit moment is WEBTICS alleen gekalibreerd voor de scholekster (Rappoldt & Ens, 2013), maar kalibratie voor kanoet (Ens et al. 2008b), wulp (Ens et al. 2006) en rosse grutto (Duijns 2014) lijkt mogelijk. Er is echter gekozen voor een alternatieve benadering, namelijk het ontwikkelen van een proxy voor draagkracht, om op die manier voor een veel groter aantal vogelsoorten een jaarlijks getal te kunnen genereren. De proxy is gebaseerd op:

(1) het feit dat eigenschappen van de vogels (o.a. snavellengte, snavelvorm, lichaamsgrootte, gespierdheid van de maag) en van de prooidieren (o.a. grootte, bepantsering, ingraafdiepte) bepalen welk deel van het voedselaanbod profijtelijk geoogst kan worden door de verschillende vogelsoorten (Zwarts & Wanink, 1993)
(2) de aanname dat het voedselaanbod bepalend is voor de draagkracht van het wad voor de daar voedselzoekende vogels. In onderzoek aan scholeksters langs de Friese kust (Zwarts et al. 1996) en kanoeten in de westelijke Waddenzee (Kraan et al. 2009) werd een duidelijk verband gevonden tussen veranderingen van jaar op jaar in de aantallen vogels en veranderingen in de proxy voor draagkracht. Echter, voor scholeksters werd de oogstbare biomassa berekend, terwijl voor de kanoeten de oppervlakte wad werd berekend waar de vogels voldoende snel voedsel konden vinden. In geen van de studies werd rekening gehouden met de droogvalduur. In de eerste rapportage over deze aanpak (Ens et al. 2015) is daarom gekozen voor het berekenen van proxies voor draagkracht op vijf verschillende manieren:

  • De aanwezige biomassa aan prooidieren op basis van dieet
  • De beschikbare biomassa aan prooidieren, bepaald door de aanwezige biomassa aan prooidieren te wegen naar de procentuele droogvalduur
  • Het areaal geschikt foerageerhabitat op basis van de berekende opnamesnelheid van voedsel en een energetisch bepaalde ondergrens aan de opnamesnelheid; dit is de proxy voor draagkracht zoals toegepast door (Kraan et al. 2009)
  • De oogstbare prooibiomassa; dit is de biomassa prooidieren in gebieden waar de drempelwaarde in opnamesnelheid gehaald wordt, overeenkomend met de proxy voor draagkracht zoals toegepast door Zwarts et al. (1996)
  • De beschikbare oogstbare prooibiomassa; dit is de oogstbare prooibiomassa gewogen naar droogvalduur

In de komende jaren zal onderzocht moeten worden welke proxy het beste correleert met de draagkracht van het wad voor de verschillende wadvogelsoorten. Dat kan door een Waddenzeebrede vergelijking te maken van de aantallen met hoogwater getelde vogels en het voedselaanbod op het aangrenzende wad, dat wordt benut door de vogels van een bepaalde hoogwatervluchtplaats. Volgens het monitoringplan zullen de proxies jaarlijks worden bepaald met behulp van een ecologisch model op basis van meetgegevens over de hoogteligging van de wadplaten (m.b.v. Lidar), hier aanwezige voedselbestanden (benthos), en vogelsoortspecifieke rekenregels (NAM 2014c). De monitoring beperkt zich dus tot vogelsoorten die op het droogvallende wad naar voedsel zoeken. Dit is slechts een deel van de vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelen gelden, maar het betreft wel de soorten die getroffen zullen worden als er een effect is van bodemdaling op de hoogteligging of de sedimentsamenstelling van de wadplaten. Op basis van een eerste inventarisatie lijkt het mogelijk deze proxy te genereren voor maximaal 17 soorten wadvogels Tabel 3 (bijlage : Overzicht van doelstellingen voor doortrekkende vogels en wintergasten in het natura 2000 gebied). Het ligt voor de hand deze geïntegreerde aanpak uit te breiden naar de monitoring van andere winningen, met name de voorgenomen zoutwinning.

Monitoring natte wad

Voor monitoring van het natte wad worden de volgende specifieke aanbevelingen gedaan:

  • Doe op geselecteerde punten op de wadplaten aanvullende metingen van de waterstand; deze kunnen worden gebruikt om de interpolatieroutines die ten grondslag liggen aan InterTides (Rappoldt et al. 2014) te verbeteren
  • Onderzoek de mogelijkheid om door het (bij)plaatsen van radarreflectoren de dichtheid aan langdurig coherente punten zodanig op te voeren dat bewegingsmeting met InSAR mogelijk is
  • Onderzoek de mogelijkheden om metingen van de wadplaathoogte met Lidar, die twee keer per jaar worden uitgevoerd, aan te vullen met bathymetrische Lidar om de bodemhoogte in het ondiepe water te registreren
  • Onderzoek de mogelijkheid om toegang te krijgen tot de jaarlijkse vluchten uit het beeldmateriaal (BM) project en deze in te zetten bij monitoring van de bodemdaling, met name de veranderingen van het maaiveld
  • Onderzoek de mogelijkheid om door fotogrammetrie vanuit drones een nauwkeuriger beeld te krijgen van hoogteveranderingen op geselecteerde wadplaten, met name waar ‘spijkermetingen’ (Krol 2013) worden uitgevoerd; deze monitoring kan bijdragen aan een verbetering van modellen over sedimentatie (en erosie) en sedimenttransport en daarmee het meegroeivermogen (er is dringend behoefte aan zulke verbeterde modellen waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen zand en slib)

Monitoring kwelders

Voor de monitoring van kwelders worden de volgende specifieke aanbevelingen gedaan:

  • Onderzoek de mogelijkheid om door het bijplaatsen van radarreflectoren de dichtheid aan langdurig coherente punten zodanig op te voeren dat bewegingsmeting met InSAR mogelijk is
  • Onderzoek de mogelijkheid om toegang te krijgen tot de jaarlijkse vluchten uit het beeldmateriaal (BM) project en deze in te zetten bij de monitoring van hoogte en vooral kwaliteit van de vegetatie
  • Ontwikkel een beter model en een betere monitoring van opslibbing op de kwelder, zodat een betere verklaring mogelijk is van verschillen binnen en tussen kwelders (de Groot et al. 2015a); daardoor is ook een betere inschatting mogelijk van de invloed van bodemdaling op het overstromingsrisico van nesten van kwelderbroedvogels
  • Plaats op goed geselecteerde punten diepteloggers op kwelders om hydrodynamische modellen te valideren, die voorspellen hoe het water bij hoog tij de kwelder op- en weer afstroomt; dit is een belangrijke component in verbeterde schattingen van het overstromingsrisico van op de kwelder broedende vogels en helpt in het verklaren van vegetatiepatronen
  • Meer onderzoek is nodig om het effect van een bepaald overstromingsrisico te bepalen op het broedsucces en uiteindelijk de populatiedynamica van de betrokken soorten

Cumulatieve effecten

Het fundamentele probleem bij het bepalen van de effecten van bodemdaling op flora en fauna van de Waddenzee is dat een strakke experimentele opzet niet mogelijk is, zoals dat wel kan in het geval van bodemberoerende visserij. Daar kunnen vakken met visserij en controlevakken zonder visserij door loting worden aangewezen (Ens et al. 2007), ook al maken discussies over het aantal en de grootte van de onderzoeksvakken, het vrijhouden van de controle-vakken van visserij en de grote dynamiek van het systeem de praktische uitvoering en analyse van de resultaten geen sinecure (Smaal et al. 2013).

In het geval van bodemdaling wordt de locatie bepaald door het voorkomen van de delfstoffen en met name bij gaswinning is het gebied dat wordt beïnvloed relatief groot. Men kan op zoek naar vergelijkbare referentiegebieden, maar ook die zijn dan niet volgens toeval gekozen. En omdat er maar weinig impact gebieden zijn, is het ook niet mogelijk om een voldoende grote steekproef te realiseren om daarmee het risico te minimaliseren dat de uitkomsten door toevalligheden worden bepaald. Ondanks al deze problemen is voor de nieuwe gaswinningen in eerste instantie toch geprobeerd om op basis van de bestaande vogelmonitoring een systematische analyse te ontwikkelen van de aantallen wadvogels en broedvogels. Het doel was om in het kader van het ‘hand aan de kraan’ principe jaarlijks een betrouwbaar signaal te hebben. Idee was, dat een trendbreuk in het beïnvloedingsgebied, samenvallend met het begin van de bodemdaling (en liefst in vergelijking tot de trendontwikkeling in vergelijkbare referentiegebieden) een signaal zou kunnen vormen van een effect van bodemdaling (Ens et al. 2008a; Wiersma et al. 2009).

Er werden significante trendbreuken gevonden, maar het aantal kwam overeen met wat je volgens toeval zou verwachten, namelijk orde grootte van het gekozen niveau voor statistische significantie (Roodbergen et al. 2013b). Daar kan voor gecorrigeerd worden door toepassing van de Holm-Bonferroni correctie (Wiersma et al. 2009), maar dit lost twee fundamentele problemen niet op:

  • De berekende significanties zijn alleen correct als de experimentele gebieden en controlegebieden daadwerkelijk volgens toeval zijn gekozen; dat zijn ze echter niet
  • Op basis van alleen een trendbreuk (hoe significant ook) in aantallen concluderen dat er een effect is van bodemdaling op natuurwaarden, is weinig overtuigend en daarmee zeer onbevredigend, zowel voor diegenen die een besluit moeten nemen over de ‘hand aan de kraan’, als diegenen die met dat besluit geconfronteerd worden

Om die reden is deze puur statistische aanpak verlaten en wordt nu ingezet op geïntegreerde monitoring van de hele effectketen. Een logische consequentie is dan wel, dat de monitoring zich niet kan beperken tot alleen de effecten van bodemdaling. De kweldervegetatie wordt niet alleen beïnvloed door bodemdaling, maar ook door bijvoorbeeld beweiding. En evenzo worden de vogels die op het wad naar voedsel zoeken niet alleen beïnvloed door bodemdaling, maar ook door verstoring door recreanten en handkokkelvisserij.

Veel vogelsoorten vertoeven bovendien maar een deel van de tijd in de Waddenzee. Ze komen er om te broeden, te ruien, om op te vetten voor de trek of om te overwinteren. Dat betekent dat hun aantallen ook beïnvloed kunnen worden door gebeurtenissen op andere plekken, in andere delen van het jaar. Er bestaan modellen die de cumulatieve effecten van bodemdaling, visserij en verstoring etc. op vogels in wadgebieden kunnen berekenen (Stillman 2008; Rappoldt & Ens, 2013); een koppeling ontbreekt echter met populatiemodellen zoals Van de Pol et al. (2010b). Ontwikkeling van modellen die in staat zijn om, op basis van monitoringdata, de cumulatieve effecten op vogelpopulaties te berekenen van allerhande menselijke ingrepen in de Waddenzee en daarbuiten, is dringend gewenst.

Referenties