Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Walter analyse

Onderdeel van Gas- en zoutwinning

 
 

Expert consultaties

De monitoring van bestaande gaswinningen en de voorgenomen zoutwinning wordt begeleid door verschillende commissies van onafhankelijke deskundigen. De vraag naar eventuele verbetering van de bestaande monitoring is bij herhaling gesteld. In deze sectie is allereerst op zoek gegaan naar de grootste gemene deler in de aanbevelingen. Daarnaast zijn experts geconsulteerd over de mogelijkheden van remote sensing (Vestjens 2015a,b; Swart 2015) en inzichten verwerkt die in het kader van WaLTER naar voren kwamen.

Gaswinning Ameland

De Begeleidingscommissie Monitoring bodemdaling Ameland is in 1986 ingesteld om op onafhankelijke wijze de monitoring van daling en effecten te bewaken en toe te zien op volledigheid en kwaliteit. Elke vijf jaar wordt een openbare rapportage voorgelegd aan een onafhankelijke auditcommissie. De meest recente, in 2011, leidde tot aanbevelingen (Auditcommissie 2012) waarvan de belangrijkste als volgt worden samengevat:

  • Continueer de geodetische metingen tot ruim na het afsluiten van de productie uit de aardgasvoorkomens in de regio Ameland-Oost; daarbij moet de aandacht zowel uitgaan naar continuering van de bestaande meetreeksen met bestaande technieken, als toepassing van nieuwe geodetische methodieken
  • Verbeter het model voor bodemdaling prognoses in de regio Ameland-Oost, zodat het ‘state of the art’ blijft
  • Om de lange-termijneffecten op de morfologie van Ameland en omgeving te kunnen bepalen, moeten de afsluiting van de Lauwerszee, de zandsuppleties op en nabij het Noordzeestrand, de aardgaswinning en de zeespiegel in samenhang worden bestudeerd; mogelijk kan dit in het kader van het nieuwe Deltaprogramma Wadden
  • Geef een duidelijker samenvatting van de kennis of bodemdaling een verandering van korrelgroottesamenstelling van het sediment op het wad zou hebben veroorzaakt
  • Ga na of het mogelijk is te bepalen bij welke snelheid van bodemdaling de kwelder zou verdwijnen
  • Verbeter het model waarmee de sedimentatiesnelheid op de kwelder wordt voorspeld, en kies daarbij de modelleerbenadering van Temmerman et al. (2007)
  • Uniformeer de in de loop der jaren opgestelde vegetatiekaarten
  • Integreer de monitoring van bodemmorfologie, bodemdieren en op wadplaten foeragerende vogels, om oorzakelijke relaties tussen bodemdaling en vogelaantallen beter te kunnen achterhalen
  • Geef een inschatting van het effect van het door bodemdaling toegenomen overstromingsrisico op de broedpopulaties van de betrokken vogelsoorten, waaronder Scholekster en Lepelaar
  • Ga na of er ook een effect van bodemdaling bestaat op zangvogels broedend in de binnenduinrand en op de hoge kwelder
  • Relateer voor alle groepen onderzochte vogels het effect van bodemdaling op de populatie van Ameland en in de Waddenzee als geheel
  • Kom tot integratie en synthese
  • Zorg voor een goede ontsluiting van de schat aan data en informatie die in de afgelopen 25 jaar beschikbaar is gekomen
  • Integreer de monitoring en de rapportage van de aardgaswinningen in het waddengebied, om de efficiëntie van die monitoring te verhogen
  • Bespreek voor de periode 2012 -2016 met de programmaleiders van de verschillende momenteel lopende waddenprogramma’s (Monitoring effecten bodemdalingen; WaLTER; Programma Rijke Waddenzee; Deltaprogramma Wadden en Geokartering Wadden) de mogelijkheden om te komen tot meer onderlinge kruisbestuiving inzake het inzamelen, verwerven, kwaliteitsborgen en archiveren, interpreteren, analyseren en verstrekken van alle data en informatie (abiotisch, biotisch en sociaaleconomisch) inzake het waddengebied

Gaswinning vanaf locaties MLV

De AuditCommissie gaswinning onder de Waddenzee (verder aangeduid als: de Auditcommissie) analyseert de jaarlijkse rapportages over de bodemdaling en de effecten daarvan als gevolg van de gaswinning uit de velden bij MLV (Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen). De Auditcommissie toetst de wetenschappelijke waarde van de rapportages en de getrokken conclusies en adviseert daarover aan de betrokken minister. De commissie adviseert sinds 2007 over opzet, eisen en resultaten van de monitoring. De evaluatie over de eerste zes jaar (Auditcommissie 2014a) leverde als belangrijkste aanbevelingen:

  • Verhoog de analysekracht van de signaleringsmetingen, om uitspraken te kunnen doen over het al dan niet toepassen van het ‘hand aan de kraan’ principe; gebruik daarbij de effectketenbenadering om te komen tot meer samenhang, afstemming en focus van de verschillende onderdelen van het monitoringprogramma, met name wat betreft bodemdieren en vogels
  • Neem maatregelen voor de verbetering van nauwkeurigheid, ijking en dataverwerking van Lidarmetingen, zodat zinvolle beelden worden verkregen die van jaar op jaar en/of van seizoen op seizoen goed vergelijkbaar zijn
  • Verduidelijk een eventuele rol van spijkermetingen, zodat zowel de meetvragen als de beoogde koppeling met andere signaleringsmetingen op voorhand duidelijk zijn
  • Beschrijf vooraf de meetvragen en de beoogde koppeling met andere signaleringsmetingen bij de monitoring van de bodemfauna, zodat in de toekomst zinvolle en jaarlijks vergelijkbare resultaten beschikbaar komen
  • Ga na of de monitoring van de kwelders aanpassing behoeft vanwege het nieuwe beheer (vernatting en beweiding)
  • Werk een alternatieve meet- en analysestrategie uit voor watervogels
  • Ga na of tellingen van broedvogels nog zinvol zijn in afwachting van de resultaten van onderzoek op Ameland
  • Ga na of monitoring van de vegetatie in het Lauwersmeer aanpassing behoeft vanwege het nieuwe beheer (meerpeil)
  • Werk een alternatieve meet- en analysestrategie uit voor de vogels in het Lauwersmeer, die rekening houdt met het mogelijk veranderend peilbeheer en de effectketenbenadering. Concentreer de monitoring op soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn opgesteld

Het monitoringprogramma voor de jaren 2014 t/m 2019 van maart 2014 (NAM 2014b) is reeds beoordeeld (Auditcommissie 2014b; Auditcommissie 2014c). Dit commentaar is verwerkt in het monitoringprogramma voor de jaren 2014 t/m 2019 van juli 2014 (NAM 2014c). De belangrijkste aanbevelingen waren:

  • Advies aan het ministerie van Economische Zaken om duidelijk aan te geven hoe het ‘hand aan de kraan’ principe wordt toegepast op basis van de monitoring, zonder dat het instellen van nader onderzoek nodig is; een goede monitoring moet namelijk op zichzelf kunnen aantonen of een verslechtering van de natuurwaarden wel of niet samenhangt met bodemdaling door gaswinning
  • Aangeven hoe mogelijke aardschokken van betekenis zijn voor de monitoring i.v.m. de kans op ongelukken
  • Eenduidig gebruik van het begrip wadplaathoogte
  • Begrippen die een rol spelen in de vertaling van bruto naar netto voedselbeschikbaarheid voor vogels, de meetmethodes en de relevantie in de gegevensanalyse duidelijk aangeven
  • Verduidelijking van de rol van het model WEBTICS (Rappoldt et al. 2004; Rappoldt & Ens, 2013) in de controle op draagkrachtbenadering

Zoutwinning Waddenzee

Ook het monitoringplan bij de voorgenomen zoutwinning onder de Waddenzee (Cleveringa, 2013) is beoordeeld (Auditcommissie 2014d). De adviezen waren:

  • Leg vooraf zo precies mogelijk vast op welke manier het ‘hand aan de kraan’ principe moet worden toegepast; indien ervoor gekozen wordt het principe anders toe te passen dan bij de gaswinning: toelichten waar en waarom het principe afwijkt
  • Stel voor de monitoring van effecten van de vele activiteiten in de Waddenzee een overkoepelend programma op dat de gevolgen voor de natuurwaarden inzichtelijk maakt
  • Neem de hypothese dat op basis van de nu beschikbare wetenschappelijke kennis geen effecten te verwachten zijn als startpunt (deze hypothese wordt overigens betwist door Duijns et al 2013, die een groot effect op de wadvogels voorspellen).
  • Het monitoringprogramma zal erop gericht moeten zijn om deze hypothese te toetsen, geadviseerd wordt om enkele aanpassingen door te voeren:
    • Samenhang tussen de onderdelen versterken door monitoring en bemonstering op zo mogelijk dezelfde momenten en dezelfde plaatsen uit te voeren
    • Toevoeging van jaarlijkse Lidar opnamen en ‘spijkermetingen’ op de Ballastplaat
    • Beschikbaarheid van slib, de sedimentsamenstelling en in samenhang daarmee de schelpdierbemonstering bepalen
    • Duidelijk aangeven in de ecologische monitoring hoe de metingen passen in de voorgestelde effectketen
    • Voor vogels methoden/parameters kiezen die het direct volgen van ontwikkelingen ter plaatse mogelijk maken

Remote sensing

Onderzocht is of er mogelijkheden bestaan om met remote sensing bepaalde monitoring uit te kunnen voeren met een grotere betrouwbaarheid of precisie, een grotere vlakdekking, een hogere frequentie of lagere kosten. Hierbij is onderzoek gedaan naar Lidar, fotogrammetrie en PS-InSAR.

De belangrijkste beperking van bewegingsmeting met PS-InSAR is de aanwezigheid van langdurig coherente punten; beweging is alleen vast te stellen van punten die over een lange periode hun terugverstrooiingseigenschappen behouden. Deze langdurig coherente punten zijn op het wad niet te vinden en moeten worden aangebracht. Ook op de kwelder is het aanbod langdurig coherente punten beperkt; het zou op het oostelijk deel van Ameland om slechts een stuk of vijf punten gaan (Swart, 2015). Mogelijk kunnen radarreflectoren bijgeplaatst worden, maar die moeten dan wel goed verankerd zijn. Het netwerk van langdurig coherente punten mag niet te dun zijn omdat er anders geen goede correcties mogelijk zijn. Alleen aan de randen van de Waddenzee zou bewegingsmeting met InSAR mogelijk een bijdrage kunnen leveren, zeker als er sprake is van een dijk opgebouwd uit ruw materiaal zoals stortsteen of grof asfalt. Voor wat betreft de voorgenomen zoutwinning nabij Harlingen kan gedacht worden aan de Pollendam. Daarop zouden ook radarreflectoren kunnen worden aangebracht.

Lidar wordt reeds toegepast in de vijfjaarlijkse AHN-metingen (waarbij de hoogte van heel Nederland in kaart wordt gebracht), door Rijkswaterstaat (om de lodingen aan te vullen) en door de NAM (om twee keer paar de hoogteligging van de droogvallende wadplaten in Pinkegat en Zoutkamperlaag in kaart te brengen). Wat in deze laatste monitoring ontbreekt is de hoogtemeting aan delen van het gebied die onder water staan. Bathymetrische Lidar is wel in staat om de hoogte van de ondergrond te meten in ondiep water (Vestjens 2015a,b). Dit type is minder gebruikelijk, maar er zijn enkele bedrijven die dergelijke metingen kunnen uitvoeren. Voor metingen op de kwelder zou het zeer behulpzaam zijn als de hoogte van zowel vegetatie als maaiveld wordt vastgesteld. Is de ondergrond droog, dan kunnen vegetatiehoogten gemeten worden indien de vegetatie niet te dicht is. De vorm van de aanwezige vegetatie kan mogelijk met een analyse van de wave-form van het geretourneerde laser-signaal uitgevoerd worden. Deze techniek wordt op dit moment voornamelijk toegepast bij het monitoren van boomkronen. Er is momenteel nog geen volledig uitgekristalliseerde techniek die commercieel wordt aangeboden.

Fotogrammetrie is de techniek van het meten in opnamen (2D) van een object (3D) vanuit verschillende posities. Tegenwoordig spelen digitale camera’s en rekenkundige technieken een zeer belangrijke rol (digitale fotogrammetrie) in commerciële uitbating van deze techniek. Jaarlijks vinden er diverse opnamevluchten in verschillende resoluties plaats in het Waddengebied. Helaas zijn deze opnamen niet publiekelijk beschikbaar. Het is raadzaam te informeren bij participanten van het landelijk samenwerkingsverband dat de BM-vluchten laat uitvoeren of er -voor specifieke toepassingen- beschikt kan worden over deze opnamen (De NAM kan wel beschikken over BM-opnamen van de Lauwersmeer). Gezien het jaarlijkse karakter van deze opnamevluchten zijn deze goed geschikt voor monitoringtoepassingen. Fotogrammetrie met vliegtuigen is met name interessant wanneer grotere gebieden in één keer opgenomen kunnen worden. Fotogrammetrie met behulp van drones kan zinvol zijn bij ad-hoc metingen van kleinere gebieden (o.a. ‘spijkermetingen’).

Monitoring kwelder

De duidelijkste effecten van bodemdaling op flora en fauna zijn tot nu toe vastgesteld op kwelders. Ze verdienen daarom extra aandacht bij de monitoring. De volgende verbeteringen van de kweldermonitoring lijken eenvoudig te realiseren:

  • Uitbreiding Lidar metingen
    Vanaf 2010 worden in voor- en najaar Lidar opnames gemaakt van de wadplaten in de kombergingen van het Pinkegat en Zoutkamperlaag, de aangrenzende kwelders vallen buiten het zoekgebied (Figuur 11); uitbreiding van de metingen naar deze kwelders zou monitoring van de hoogteontwikkeling aldaar versterken, zeker als de vegetatie m.b.v. een wave-form analyse in kaart gebracht wordt en een goed beeld van het maaiveld verkregen wordt (Vestjens 2015a,b)
  • Uitbreiding plots Ameland
    Ontwikkelingen in sedimentatie en vegetatie op de kwelder van Ameland worden momenteel in enkele plots gevolgd; het aantal is te beperkt voor een representatief beeld van het effect van bodemdaling (Hemmen 2014). Specifieke voorstellen tot uitbreiding worden gedaan door Hemmen (2014)
  • Afstemming vegetatie en broedvogels
    Monitoring van sedimentatie en vegetatieontwikkeling (Van Duin et al. 2013) vindt deels plaats in andere plots dan monitoring van aantallen en broedsucces van vogels; het verdient aanbeveling om de monitoring van vogels en vegetatie zoveel mogelijk in dezelfde plots te laten plaatsvinden

Ontbrekende monitoring

De bodemdaling door winning uit het Slochteren veld heeft de buitendijkse gronden (halfnatuurlijke vastelandskwelders en kwelderwerken) langs een belangrijk deel van de Dollard (zuid) en westelijk Groningen bereikt (Figuur 9). Het Natura-2000 gebied Waddenzee wordt dus mogelijk beïnvloed door deze winning. Hetzelfde geldt voor de winning op de locatie Zuidwal (Figuur 12) en in mindere mate voor de winning uit het veld bij Anjum (Figuur 9), die winning heeft vooral effect op het Lauwersmeer. In het concept beheerplan voor de Waddenzee van 16 februari 2015 (Ministerie I&M 2015) wordt op blz. 51 het volgende opgemerkt: ‘Op een aantal plaatsen in en buiten de Waddenzee zijn gaswinstations vanwaar gas van onder de Waddenzee wordt opgepompt. Het gaat hierbij om Ameland en Slochteren, Moddergat, Lauwersoog, Vierhuizen, Zuidwal en Anjum. Het belangrijkste effect dat hier vanuit gaat is bodemdaling. Er is een voortdurende monitoring van de bodemdaling en de effecten. Bij onvoorziene, niet acceptabele effecten van de bodemdaling door gaswinning wordt de winning verminderd of worden de effecten voorkómen of hersteld.’  

Dit wekt de indruk dat de winning uit de velden Slochteren en Zuidwal met de ‘hand aan de kraan’ worden gemonitord, net als de winning uit de MLV velden en het Ameland veld. Er vindt echter in het geheel geen gerichte monitoring plaats. Dit blijkt ook uit de latere tekst op blz. 157: ‘ Om effecten te beperken worden de oudere gaswinningen onder voorwaarden (#33) vrijgesteld van vergunningplicht Nb-wet. In bijlage 3 (B3.3.5) is een overzicht van deze voorwaarden opgenomen.’ Deze voorwaarden zijn als volgt geformuleerd:
1. De monitoring en evaluatie van de effecten van bodemdaling op en rond Oost-Ameland door de NAM (de gemeten bodemdaling, de ontwikkelingen in de kustlijn, de aanslibbing van het wad, de plantengroei van duinen en kwelders, de vogelaantallen en het broedsucces op de kwelders) dient te worden voortgezet. Wanneer hieruit eventuele schade aan de natuurwaarden blijkt, dienen maatregelen te worden getroffen om die te herstellen dan wel verdere schade te voorkomen.
2. De maatregelen ter voorkoming en/of beperking van de effecten van bodemdaling in de Groninger kwelderwerken (maatregelen aan de dammen voor de in-standhouding van de sedimentatie in de vakken zeewaarts van de kwelder- en kwelderpionierzone) dienen te worden gecontinueerd.’  

De eerste voorwaarde suggereert dat als er op Ameland effecten worden gemeten, ook elders de ‘hand aan de kraan’ moet. Dat lijkt niet realistisch indien onbekend is of die effecten ook elders optreden. Het verdient daarom aanbeveling om deze oudere winningen ook in de monitoring te betrekken.

Voor het sinds 2008 Waddenzeebreed uitgevoerde bemonsteringsprogramma SIBES is reeds een analyse uitgevoerd van alle bodemdalingsgebieden (Compton et al. 2013). Er werden verschillen gesignaleerd tussen gebieden met en zonder bodemdaling, maar harde conclusies bleven uit. In de integrale beoordeling (NAM 2014a) werd geconcludeerd dat er geen effecten op bodemdieren optraden, maar deze conclusie werd voorbarig geacht vanwege het ontbreken van hoogtemetingen en tijdreeksen (Auditcommissie 2014a). Voor kwelderbroedvogels is de verspreiding over de vastelandskwelders van Friesland en Groningen geanalyseerd; dus inclusief gebieden met bodemdaling door het Slochteren veld, maar exclusief kwelders met bodemdaling op Ameland (Koffijberg et al. 2013). Veel soorten nestelen op plekken waar het overstromingsrisico hoog is. Vermoedelijk doen ze dit om de afstand tot het voedselgebied te minimaliseren en predatierisico’s door grondpredatoren te verkleinen. Een duidelijke relatie met bodemdaling ontbrak maar de resultaten zijn met de nodige onzekerheid omgeven, o.a. door het ontbreken van nauwkeurige hoogtemetingen en een Waddenzeebreed toepasbaar opslibbingsmodel.