Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Achtergrond

Onderdeel van Schelpdiervisserij

 
 

Voedselweb

Schelpdieren vervullen in estuaria en ondiepe kustzeeën, zoals de Waddenzee, een essentiële rol in het voedselweb, de waterkwaliteit, de sedimenthuishouding en de vorming van habitatstructuren. Veel voorkomende soorten in de huidige Waddenzee zijn de mossel (Mytilus edulis), de kokkel (Cerastoderma edule), de Japanse oester (Crassostrea gigas), de strandgaper (Mya arenaria) de Amerikaanse zwaardschede (Ensis directus) en het nonnetje (Macoma balthica). De vroeger talrijke platte oester (Ostrea edulis) stierf begin vorige eeuw uit. De zich sterk uitbreidende Japanse oester, een exoot, werd eind vorige eeuw geïntroduceerd. De nu talrijke strandgaper is door de Vikingen vanuit Amerika naar Europa gebracht, nog voordat Columbus Amerika ontdekte. De Amerikaanse zwaardschede, in de Waddenzee waargenomen vanaf begin jaren tachtig, is inmiddels een belangrijke voedselbron voor diverse vis- en vogelsoorten.

Genoemde schelpdieren voeden zich voornamelijk met fytoplankton (eencellige algen), die ze uit het zeewater filtreren, en opgewoelde algen (diatomeeën), die op de wadbodem voorkomen. Schelpdieren zelf worden weer gegeten door vogels, vissen en andere predatoren zoals krabben en garnalen. Schelpdieren vormen derhalve in het voedselweb van de Waddenzee een verbinding tussen primaire producenten en de hogere trofische niveaus (Troost et al. 2012a).

Habitatvormers

Kokkels, strandgapers en Amerikaanse zwaardscheden leven ingegraven in de bodem. Van hieruit zuigen ze met een sifon voedsel aan uit het zeewater. Nonnetjes hebben een flexibele sifon, waarmee ze ook het wadoppervlak afzuigen. Mosselen en Japanse oesters leven op de bodem en creëren in het oog springende structuren. Mosselen vormen bulten van slib en schelpen die tot een meter boven het omliggende wad kunnen uitsteken. Ook oesters vormen soms harde riffen, die een zo mogelijk nog gevarieerdere structuur hebben. Mosselbanken en oesterriffen hebben allerlei effecten op de nabije omgeving:

  • Ze vergroten plaatselijk de turbulentie in de onderste waterlagen
  • Ze bieden vestigingsmogelijkheden voor organismen die afhankelijk zijn van hard substraat waaronder hun eigen nakomelingen
  • Ze vormen voor verschillende soorten (o.a. alikruiken en krabben) een schuilplaats tegen predatie en milieu-extremen zoals hitte, uitdroging en golfwerking
  • Ze verhogen de slikkigheid en daarmee de rijkdom van het omringende wad met de uitstoot van pseudofaeces (Dankers & Zuidema 1995)

Deze structuurvormers of biobouwers zijn belangrijke habitatvormers in zandige getijdengebieden zoals de Waddenzee (Van der Heide et al. 2012). De afwisseling tussen schelpenriffen en kale plekken leidt tot een grotere habitatvariatie en aanzienlijk hogere biodiversiteit (Troost et al. 2012a).

Beleidsbesluit

Er is veel onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van schelpdierbestanden en aantallen schelpdieretende vogels in relatie tot de schelpdiervisserij (o.a. binnen EVA2; Ens et al. 2004). Dit leidde in 2004 tot het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020, dat voor de hele Nederlandse kustwateren geldt. Er werd besloten om de mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee te beëindigen en de visserij op mosselzaad te beperken (LNV 2004).
De huidige schelpdiervisserij in de Waddenzee vindt plaats op permanent overstroomde (sublitorale) mosselbanken. Visserij op platen blijft beperkt tot handkokkelvisserij en het handmatig rapen van oesters.

Mosselvisserij

De Waddenzee is belangrijk voor de Nederlandse mosselvisserij. De kweek van mosselen, in Nederland gebaseerd op bodemcultuur, vindt plaats in de westelijke Waddenzee en de Oosterschelde. Voedselaanbod en natuurlijke zaadval zijn in de Waddenzee over het algemeen het gunstigst. De kweekpercelen liggen in gebieden die bij laagwater niet droogvallen (sublitoraal). Om mosselen te kweken, is uitgangsmateriaal nodig in de vorm van jonge mosseltjes: het zogeheten mosselzaad. De natuurlijke zaadval kan per jaar sterk fluctueren. Mosselzaad wordt van oudsher opgevist van natuurlijk gevormde, permanent overstroomde (sublitorale) banken in de Waddenzee. Ook droogvallende (litorale) mosselbanken werden tot en met 1994 regelmatig bevist. De laatste maal dat dit gebeurde was in 2001 in het kader van een wetenschappelijk experiment (Smaal et al. 2004). Mosselzaadvisserij vindt doorgaans tweemaal per jaar plaats. De eerste keer in het najaar, op nieuw gevormde zaadbanken en dan vooral instabiele banken die een grote kans hebben om in de winter te verdwijnen. De tweede keer in het daaropvolgende voorjaar op de overgebleven banken in stabielere gebieden.

In totaal zijn er momenteel rond de 60 schepen actief binnen de mosselsector. De mosselsector is MSC gecertificeerd en heeft nationaal en internationaal een goede marktpositie (www.msc.org). Voor de MSC Assessment rapporten klik hier. Hoewel de aanvoer sinds de eeuwwisseling is afgenomen, is de omzet toegenomen (zie figuur 2 en aanvullend kentallen over de mossel productie) (Taal et al. 2010; Visserij in Cijfers).

Voor de mosselzaadvisserij zijn vergunningen nodig op basis van de Visserijwet en Natuurbeschermingswet (NB-wet). Vereiste voor de NB-wet vergunning is dat de visserij aantoonbaar zonder negatieve effecten voor de natuur plaatsvindt. Er zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor het habitattype waarin de visserij zich afspeelt, het sublitoraal van de westelijke Waddenzee (1110A – permanent overstroomde zandbanken). Vanuit Natura2000 geldt voor de Waddenzee een verbeteropgave voor structuurvormende bodemgemeenschap en visgemeenschap. De staat van instandhouding van permanent overstroomde zandbanken in de Waddenzee is als matig ongunstig beoordeeld (aanwijzingsbesluiten waddengebied). Dit is voornamelijk gebaseerd op schaarste aan sublitorale mosselbanken in diverse stadia van ontwikkeling en (in mindere mate) sterk afgenomen totale biomassa van vis en verminderde kraamkamerfunctie voor vis. De ontwikkeling van (oudere) mosselbanken wordt nadelig beïnvloed door bodemberoerende activiteiten. Kwaliteitsverbetering is vooral mogelijk door een deel van de mosselbanken betere ontwikkelingskansen te bieden. Deze verbeteropgave is juridisch vastgelegd in het Aanwijzingsbesluit Waddenzee uit 2009.

Ook voor het litorale habitattype H1140A slik- en zandplaten wordt kwaliteitsverbetering nagestreefd. Daarbij wordt gedoeld op vergroting van het areaal droogvallende mosselbanken en zeegrasvelden. Deels tracht men dit te realiseren door beëindiging van de mechanische kokkelvisserij (rond 2005) en het (reeds langer) achterwege laten van mosselzaadvisserij in het intergetijdengebied. De huidige visserijactiviteiten op wadplaten (en eventuele negatieve effecten daarvan) zijn momenteel zeer beperkt. Binnen de Waddenzee zijn ook instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor verschillende vogelsoorten die zijn aangewezen op schelpdieren als voedselbron zoals scholekster, eider en kanoet. Voor de sterk in aantal afgenomen scholekster geldt een verbeterdoelstelling.
De ontwikkeling en beoogde kwaliteitsverbetering van zowel de sublitorale als litorale habitattypen hangt samen met verschillende, deels moeilijk te duiden en sturen, oorzakelijke factoren (naast visserij bijvoorbeeld klimaatverandering, variatie in zaadval, geomorfologische omstandigheden, veranderde zoet-zout gradiënten, bijvoorbeeld door de Afsluitdijk) . Hoewel visserij een van de weinige oorzaken is waarop te sturen valt, zijn de gewenste effecten op habitatniveau nog onzeker.

Mosseltransitie

Eind 2004 is het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020 Ruimte voor een zilte oogst vastgesteld (LNV 2004). Dit schetst een toekomstperspectief voor de ontwikkeling van duurzame schelpdiervisserij. Het beoogde doel is een economisch gezonde bedrijfstak met productiemethoden die de natuurwaarden respecteren en waar mogelijk versterken. In februari 2008 is een convenant gesloten tussen de mosselsector, overheid en natuurorganisaties. Het hoofddoel daarvan is om de mosselbanken op de bodem van de Waddenzee de kans te geven zich ongestoord te laten ontwikkelen terwijl de mosselsector kan blijven produceren. Volgens afspraak wordt de visserij op natuurlijke mosselzaadbanken stapsgewijs verminderd en vervangen door alternatieve manieren van zaadwinning zodanig dat rendabele mosselkweek mogelijk blijft. Het vigerende alternatief bestaat uit Mosselzaad-invanginstallaties (MZI’s), geplaatst in Waddenzee, Oosterschelde en Zeeuwse Voordelta. Dergelijke MZI’s bestaan uit drijvende constructies met substraat (netten of touwen) waaraan de mosselzaadjes zich kunnen hechten. De effecten van MZI’s op natuurwaarden worden gemonitord. De eerste stap van de transitie hield in van de in het voorjaar aanwezige zaadbanken 20% gesloten blijven voor de mosselzaadvisserij.

In 2013 volgde een nieuwe transitiestap. Daarbij wordt een andere werkwijze voor het sluiten van mosselbanken toegepast. Gebieden worden niet meer gesloten ná maar voorafgaand aan het ontstaan van mosselbanken. Daartoe worden op voorhand gebieden gesloten waar vanuit historisch perspectief mosselbanken zijn te verwachten en dat in een omvang die aansluit bij de onderhavige transitiestap. Ook is besloten dat vanwege hun specifieke natuurwaarden ook zaadbanken en dus gebieden in de meer instabiele delen van de Waddenzee in aanmerking komen voor sluiting. De nieuwe aanpak grijpt daardoor ook in op de najaarsvisserij. De omvang van de gebieden die worden gesloten voor de tweede transitiestap is daarbij zodanig dat deze correspondeert met een vangstverlies van voorjaars- en najaarsvisserij tezamen, dat ook zou optreden bij een sluiting oude stijl van 40% van de voorjaarsvisserij. Oftewel 11 Mkg mosselzaad. Een vangstvermindering van 11 Mkg mosselzaad komt overeen met 28% van de voorjaars- en najaarsvisserij gezamenlijk. De transitie is tot nu toe succesvol, maar met het huidige tempo wordt het streefbeeld voor 2020 (geen bodemberoerende zaadvisserij meer) niet gerealiseerd (PRW 2014).

Het sluiten van gebieden voor mosselzaadvisserij is onderdeel van het transitieproces en is gekoppeld aan de verbeteropgave voor meerjarige sublitorale mosselbanken in de westelijke Waddenzee. Sluiting vindt primair plaats in gebieden waar mosselbanken de grootste kans hebben te overleven. Eenmaal gesloten gebieden blijven gesloten zodat de banken zich ongestoord kunnen ontwikkelen. Monitoring en onderzoek moeten uitwijzen of de gesloten niet-beviste zaadbanken zich inderdaad ontwikkelen tot habitats met rijke biogene structuren. In het kader van VISWAD zijn ook voor de garnalenvisserij inmiddels gesloten gebieden ingesteld op plaatsen met ecologische waarden, waaronder mosselbanken.
In het najaar van 2014 maakten mosselsector, natuurorganisaties en ministerie van Economische Zaken nieuwe afspraken, waaronder (voorwaardelijke) sluiting in 2018 van wederom 10% van het areaal aan mosselzaadbanken voor de mosselzaadvisserij (Kamerbrief Tweede kamer; zie Plan van uitvoering transitie mosselsector).

Het Mosselwad project (2010-2015) volgt de ontwikkeling van mosselbanken gedurende vijf jaar. Het onderzoek is gericht op de onderliggende systeemprocessen die van belang zijn in het herstel van zowel droogvallende (litorale) als permanent onder water zijnde (sublitorale) mosselbanken. Mosselbanken worden o.a. onderzocht op stabiliteit, diversiteit van de levensgemeenschap, invang van zand en slib en betekenis voor wadvogels. Voor beheerders in de Waddenzee is een Handboek Mosselbanken opgesteld (Dankers & Fey-Hofstede 2015).

Het in 2013 afgeronde PRODUS onderzoek toont aan dat sluiting van gebieden voor mosselzaadvisserij niet automatisch resulteert in spontane ontwikkeling van mosselbanken. Men constateerde een betere overleving van mosselen in relatief stabiele gebieden op onbeviste plots na voorjaarszaadvisserij, en een grotere kans op de ontwikkeling van meerjarige sublitorale banken wanneer er geen visserij plaatsvindt. Echter, na drie jaar was het verschil tussen bevist en onbevist verdwenen; mogelijk is de zaadval bepalend voor het behoud van langer levende banken. Verder vond men dat mosselpercelen bijdragen aan biodiversiteit; sublitorale kweekpercelen herbergen even veel soorten bodemdieren als wilde banken, althans op percelen met een hoog zoutgehalte, dichter bij de Noordzee (Smaal et al. 2013).

Kokkelvisserij

Na sluiting van de mechanische kokkelvisserij worden kokkels in de Waddenzee enkel nog op kleinere schaal en op handmatige wijze bevist. Voor de handkokkelvisserij is een vergunning nodig op basis van de Visserij en NB-wet. Voor het litoraal habitattype (H1140A) waarin de visserij plaatsvindt gelden instandhoudingsdoelen. In de Meerjarenafspraken voor handkokkelvisserij in de Waddenzee in 2011 is de gezamenlijke behoefte voor een duurzame voortzetting van het handmatig kokkelvissen in de Waddenzee op papier gezet (PRW 2011). Het akkoord, gesloten tussen de vissersvereniging Op Handkracht Verder, de in de Coalitie Wadden Natuurlijk samenwerkende natuurorganisaties, de provincie Fryslân en het ministerie van EL&I, regelt de continuïteit van het handkokkelen. De partijen ontwikkelden een nieuwe vorm van visserijbeheer, welke door provincie en ministerie als beleidsregel gehanteerd wordt.

De Waddenzee is in een groot aantal visgebieden verdeeld. Een lotingsprocedure beperkt het aantal vissers dat tegelijk in een gebied actief kan zijn. Van het kokkelbestand dat aanwezig is bij dichtheden van tenminste 50 kokkels per m2 mag 2,5% worden opgevist in de op dat moment voor de visserij opengestelde gebieden. In jaren met weinig kokkels worden de voor vogels waardevolle gebieden gesloten. Ook wordt er rekening gehouden met de leeftijdsopbouw van de kokkels, in jaren met weinig jonge kokkels vindt minder bevissing plaats. De handkokkelvisserij is op 30 oktober 2012 als duurzaam gecertificeerd (www.msc.org). Voor de MSC Assessment rapporten klik hier.
Voorwaarde bij de certificering is een goede registratie van locaties, tijdstippen en frequentie van bevissing. De Meerjarenafspraken worden geëvalueerd in het kader van het Beheerplan N2000, uiterlijk in 2018. De ondertekenende partijen achten het noodzakelijk dat in de komende jaren nader onderzoek plaats vindt naar de invloed van handkokkelvisserij en andere factoren op de draagkracht van de Waddenzee voor scholeksters. Onderdeel hiervan is het effect van handkokkelvisserij op de biomassa en groeisnelheid van kokkels die op beviste banken overblijven.

Monitoring schelpdieren

Voor de schelpdiervisserij in de Waddenzee geldt dat maatregelen en fasering mede zijn ingevuld vanuit economisch perspectief. Het toekomstige visserijbeleid hangt o.a. af van de effectiviteit van maatregelen en de ontwikkeling van commerciële schelpdierbestanden. In samenhang met het grote ecologische belang van schelpdieren is een goede monitoring vereist van hun bestanden en de exploitatie daarvan.

Informatiebehoefte