Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Informatiebehoefte

Onderdeel van Schelpdiervisserij

 
 

Samenhang

De informatiebehoeften rond schelpdieren en -visserij spitsen zich grofweg toe op drie samenhangende onderwerpen:

  • Status en productieactiviteiten van de visserijsector
  • Ontwikkeling van systeemkennis in relatie tot visserijeffecten en vergunningverlening
  • Ontwikkeling van systeemkennis over ecologische draagkracht en duurzame visserijproductie

Productieactiviteiten

Status en productieactiviteiten van de visserijsector
De visserijsector registreert verschillende gegevens met betrekking tot vangsten, scheepsbewegingen (Black Box gegevens) en cijfers over leveringen aan de veilingen en zaadvisgegevens (zie bijlage Monitoringoverzicht Scheldiervisserij). Deze gegevens zijn echter niet allemaal beschikbaar en dekken niet de gehele sector. Ook vanuit de MSC certificeringen (mossel, kokkel) gelden er voorwaarden voor een goede registratie van locaties, tijdstippen en frequenties van bevissing.

De Radboud Universiteit organiseerde in januari 2014 een sessie (zogenoemde Group Model Building; GMB) met visserijvertegenwoordigers en experts rondom mosselvisserij in de Waddenzee (Vugteveen et al. 2014, 2015). De mosselvissers maakten duidelijk dat het (blijven) volgen van MZI capaciteit en kweekrendement van groot belang is in het transitieproces. Ze wezen tevens op de noodzaak tot beter begrip van de achterliggende systeemprocessen en factoren die de natuurlijke dynamiek bepalen. Dit past binnen het streven naar meer systeemkennis inzake ecologische draagkracht en duurzame visserijproductie.

Visserij en -natuurbeleid

Ontwikkeling van systeemkennis in relatie tot visserijeffecten en vergunningverlening
Bestandsopnamen van schelpdieren zijn van belang voor de ontwikkeling van het visserij- en natuurbeleid (Natura 2000). Hieronder vallen de uitvoering van het Convenant Transitie Mosselsector, de Meerjarenafspraken handkokkelvisserij (LNV 2008, PRW 2011) en voor ecosysteem- en effectstudies zoals de (inmiddels afgeronde) onderzoeksprojecten PRODUS (Smaal et al. 2013) en Mosselwad (Dankers & Fey-Hofstede 2015). De huidige monitoring van schelpdierbestanden vanuit de Wettelijke Onderzoek Taken (WOT) vormt de basis voor het Nederlands beleid ten aanzien van schelpdierexploitatie en bescherming van de mariene habitat in de kustzones (Natura 2000; zie H3). De monitoring is gericht op het kunnen toespitsen van (beperkende) maatregelen voor de visserij op natuurdoelstellingen en op het volgen en evalueren van beheermaatregelen in de tijd. De monitoringgegevens zijn essentieel voor de vergunningverlening (mosselzaadvisserij op droogvallende platen mag pas bij minimaal 2000 ha meerjarige banken, kokkelvisserij mag op droogvallend wad op een maximaal percentage van de kokkelhoeveelheid) en dienen als basis voor het inschatten van de effecten van schelpdiervisserij op het ecosysteem. Hierbij vormt de voedselvoorziening voor vogels één van de voornaamste overwegingen (Verver 2013).

In opdracht van de producentenorganisatie van de Nederlandse mosselcultuur, PO Mosselcultuur, wordt tweemaal per jaar het mosselbestand in het sublitoraal van de (westelijke) Waddenzee geïnventariseerd. De opnamen zijn nodig voor het opstellen van visplannen en de vergunningverlening voor de mosselzaadvisserij in het voor- en najaar. Voor het opstellen van de plannen voor de voorjaarsvisserij heeft de mosselsector informatie nodig over de ligging en omvang (kg) van de wilde mosselbestanden in de Waddenzee. De bevisbare hoeveelheid wordt jaarlijks na de inventarisatie bepaald. Deze informatie moet beschikbaar zijn vóórdat de mosselzaadvisserij van start gaat, rond mei. Op basis van de beoordeling van het mosselbestand zijn er regels ontwikkeld voor het vaststellen van de vangsthoeveelheid (Harvest Control Rules). Het doel is om de vangsthoeveelheden te beheren in overeenstemming met de maximale duurzame opbrengst op de lange termijn.

Door de mosselzaadvisserij wordt de wadbodem (permanent overstroomde zandbanken) beroerd en wordt er bodemflora en -fauna aan het systeem onttrokken. Dit kan gevolgen hebben voor de voedselvoorziening van vogelsoorten zoals topper, eider en brilduiker. De activiteiten kunnen ook zeehonden en vogels verstoren. Daarom moet een vergunningsaanvraag vergezeld gaan van een Passende Beoordeling, die de mogelijke gevolgen van activiteiten op instandhoudingsdoelstellingen in kaart brengt. Gebiedssluitingen ter bescherming van de natuur zijn onderdeel van het transitieproces in de mossel- en garnalenvisserij (van Stralen 2014). Om genomen maatregelen te monitoren en te evalueren, wordt verkend hoe de meetnetten (benthos, mosselbestand) van het sublitoraal (H1110A) geoptimaliseerd kunnen worden (Rijkswaterstaat Noord-Nederland 2014). De effecten van gebiedssluiting worden onderzocht middels een monitoringprogramma dat aansluit op de jaarlijkse inventarisatie van het sublitorale mosselbestand.

Natura 2000
Het Natura 2000-beheerplan loopt zes jaar (2015 tot en met 2020). Monitoringgegevens zijn nodig om te evalueren of de maatregelen bijdragen aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in het aanwijzingsbesluit. Dit is belangrijk voor de landelijke rapportage van het ministerie van Economische Zaken aan de Europese Commissie. Daarnaast vormen de gegevens een basis in vergunningstrajecten. Voor bevoegd gezag en beheerders is monitoring in Natura 2000-gebieden primair van belang om een vinger aan de pols te houden en eventueel tussentijds maatregelen bij te stellen. Daarnaast worden de gegevens gebruikt bij het beheer van het gebied. Tegen het eind van de looptijd van het beheerplan volgt een integrale evaluatie en, zo nodig, een bijstelling van de maatregelen in een volgend beheerplan. Rijkswaterstaat heeft hierin het voortouw en werkt samen met bevoegde instanties en betrokken organisaties. De doorlooptijd van het beheerplan kan, mits onderbouwd, met maximaal zes jaar worden verlengd.

In de N2000 beheerplannen moet het hoofdstuk Monitoring ingevuld worden. Het monitoringplan ten behoeve van het Natura 2000-beheerplan Waddenzee is in ontwikkeling (Paijmans & Asjes 2012, Paijmans & van der Sluis 2013, Rijkswaterstaat 2015). Voor Natura 2000 moeten alle soorten en habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling worden gemonitord volgens vaste richtlijnen(Natura 2000, 2009).
Volgens Europese richtlijnen moet momenteel per gebied de oppervlakte van de aanwezige habitattypen als percentage worden opgegeven. Het plan bestaat om dit te vervangen door een aanduiding in hectares. Dit aspect is van belang bij de evaluatie van het beheerplan namelijk bij het bepalen van de doelstelling voor de oppervlakte van het habitattype (behoud of uitbreiding). RWS onderzoekt de aanpak voor de habitattypen in het mariene milieu. In het Programma van Eisen worden ook kwaliteitsindicatoren vermeld; soorten waarvan de aanwezigheid in het habitattype een indicator is voor een goede kwaliteit (N2000, 2009).

Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft voor dat in 2015 voor alle waterlichamen de Goede Ecologische Toestand (GET) moet zijn bereikt, of een afgeleide daarvan, voor sterk veranderde en kunstmatig aangelegde waterlichamen. De doelen voor het watersysteem Noordzeekustzone, Waddenzee en Eems-Dollard worden gemeten aan de hand van maximaal vier biologische en voor het gebied kenmerkende kwaliteitselementen (Rijkswaterstaat 2012). Dit zijn algen (plaagalgen en chlorofyl-a), angiospermen (areaal en kwaliteit kwelder en zeegras), macrofauna (leefgebieden, mosselbanken) en gemeenschappen (dichtheid, aantal soorten, biomassa en structuur). Voor de Eems-Dollard worden ook vissen (soortensamenstelling en aantallen) opgenomen. De parameter macrofauna scoort goed voor de Waddenzee maar het areaal mosselbanken (onderdeel van dit kwaliteitselement) scoort matig.

Voor de Waddenzee is het streefoppervlak litorale mosselbanken gesteld op 2000-4000 ha. De oostelijke Waddenzee herbergt ongeveer 1500 ha, in de westelijke Waddenzee liggen enkele honderden hectares (Van den Ende et al. 2014b).

In de westelijke Waddenzee liggen ook veel banken van Japanse oesters en gemengde banken. De mogelijke ontwikkeling naar toename van gemengde litorale banken in de Waddenzee (Troost et al. 2012a) heeft gevolgen voor de geformuleerde beleidsdoelstellingen omtrent mosselbanken (Van Stralen et al. 2012).

Overige activiteiten
Ook gas- en zoutwinning in de Waddenzee kunnen effecten hebben op schelpdierenbestanden. De NAM financiert gedeeltelijk het SIBES (Synoptic Intertidal Benthic Survey) programma, uitgevoerd door het NIOZ, om de effecten van bodemdaling op het benthische ecosysteem te kunnen bepalen. Hiervoor wordt intensief gemonsterd in de kombergingsgebieden (Pinkegat en Zoutkamperlaag) waar de NAM bodemdaling verwacht (zie H3). Het onderzoek is ook relevant voor de monitoring van (de introductie van exoten) in het gebied (zie Exoten dossier) zoals door scheepstransport.

Ecologische draagkracht

Ontwikkeling van systeemkennis over ecologische draagkracht en duurzame visserijproductie
Er bestaat dringend behoefte aan informatie over langetermijnveranderingen in het macrozoöbenthos in de Waddenzee. Dit is nodig om de effecten van activiteiten op de draagkracht van het gebied vast te stellen. Het WOT programma is primair gericht op commerciële soorten en levert daarnaast belangrijke data over de biodiversiteit, biomassa en verspreiding van overige schelpdiersoorten. Het NIOZ bemonstert sinds 2008 macrozoöbenthos op alle litorale (droogvallende) gebieden (SIBES). Naast het WOT schelpdierenprogramma en de door de mosselsector gefinancierde inventarisaties levert dit programma belangrijke data over de biodiversiteit, biomassa en verspreiding van schelpdiersoorten.

Voor de vergunningverlening van de mossel- en oestervisserij is het essentieel om informatie te hebben over de stabiliteit, en dus overleving op de lange termijn, van specifieke banken. Hoe ontwikkelen zich individuele mosselbanken in relatie tot oppervlakte, bedekking, lengtefrequentieverdeling en samenstelling? Zulke monitoring is ook van belang in het kader van Natura-2000 en de daarmee samenhangende beheerplannen (zie pag. 71 N2000 beheerplan). Voorts is binnen het internationale overleg (TMAP) afgesproken dat er in alle Waddenlanden enkele mosselbanken in detail bestudeerd zullen worden, naast de jaarlijkse algemene inventarisaties (zie o.a. Van den Ende et al. 2014b). Vanuit deze doelen volgt IMARES heel nauwkeurig de langetermijnontwikkeling van twaalf meerjarige mosselbanken (Fey et al. 2014a), inclusief het TMAP referentiegebied Rottum (Fey et al. 2014b).

Belanghebbenden in het waddengebied hebben behoefte aan (beter) fundamenteel inzicht in processen en factoren die de natuurlijke systeemdynamiek bepalen, in het bijzonder die van schelpdieren (Vugteveen et al. 2014).

In 2012/2013 zijn enquêtes gehouden om de informatie- en monitoringbehoeften te inventariseren onder gebruikers van het waddengebied (Vugteveen & Hanssen 2013a – Visserij; 2013b – Natuur). Hieruit kwamen de volgende informatiebehoeften naar voren:

  • Hoe ontwikkelen zich dichtheden en bestanden van schelpdieren
  • Hoe groot is de visserijdruk in het waddengebied (hoeveelheid vis en oppervlakte beviste zee)
  • Wat zijn de morfologische, sedimentologische en biologische gevolgen van bodemberoerende visserij (bijv. vergelijking lange-termijnmetingen morfologie, bodemsamenstelling, benthos in gesloten en opengestelde gebieden)
  • Wat is het effect van volledige sluiting van gebieden op de ontwikkeling van de biodiversiteit
  • Welke factoren spelen een sleutelrol in de populatiedynamica van schelpdieren
  • Wat zijn exploitatiemogelijkheden van nieuwe soorten zoals Amerikaanse zwaardschede en Japanse oester
  • Welke gevolgen heeft de komst van exoten als de Amerikaanse zwaardschede op het waddenecosysteem

Onderzoeksprojecten (Waddensleutels, Mosselwad) richtten zich op het beter begrijpen van de achterliggende processen en factoren van:

  • Broedvalsucces schelpdieren (o.a. in relatie tot klimaatverandering)
  • Ontwikkeling en overleving van natuurlijke mosselbanken (droogvallend en permanent overstroomd)
  • Natuurwaarden van mossel- en oesterbanken (droogvallend en permanent overstroomd)
  • Opkomst van exoten zoals Japanse oester en Amerikaanse zwaardschede en hun rol in voedselweb en habitat

Vanuit Mosselwad (2010-2015) is recent een handboek verschenen met de huidige inzichten over de ecologie, de bescherming en het herstel van mosselbanken (Dankers & Fey-Hofstede 2015). Het handboek duidt de noodzaak om trends in het succes van vestiging van mosselzaad nader (en per gebied) te analyseren. Er is meer inzicht nodig in de natuurlijke overleving en afbraak van nieuwe mosselzaadbanken. Ook in de Group Model Building workshop sessie (Vugteveen et al. 2014) kwam naar voren dat het momenteel nog onvoldoende duidelijk is wat het broedvalsucces van mosselen stuurt en wat de gevolgen zijn van onderliggende processen zoals klimaatverandering.

Een beter inzicht in factoren die overleving en sterfte bepalen is met name belangrijk voor (bescherming en beheer van) sublitorale mossel(zaad)banken. Broedval vindt op onder water gelegen banken veel frequenter plaats dan elders. Omdat er echter altijd zwaar op die banken gevist is, valt moeilijk te bepalen welke factoren de overleving bepalen. Onderzoek suggereert dat de kans op ontwikkeling van meerjarige sublitorale banken het grootst is bij afwezigheid van visserij (Smaal et al. 2013). Het blijft echter onduidelijk waar en hoe vaak zich meerjarige wilde banken ontwikkelen bij afwezigheid van mosselzaadvisserij. Op de langere termijn zijn stabiliteit en zaadvalfluctuaties mogelijk bepalender factoren (zie o.a. Folmer et al. 2014). In het kader van natuurbescherming en -herstel is het van belang om de ontwikkeling van natuurlijke mosselbanken in termen van de samenhangende natuurwaarden te volgen. Vanuit de verbeteropgave van mosselbanken (N2000) is meer inzicht gewenst in de ontwikkeling en langdurige overleving van natuurlijke mosselbanken (zowel droogvallend en permanent overstroomd).

In de huidige monitoring wordt van de aanwezige mosselbanken de omvang gemeten en enkele biotische kenmerken. Dit is mogelijk voldoende als visserij-economische indicator (bevisbaar areaal) maar te beperkt voor ecologische waarden. Niet alleen het areaal maar ook de stabiliteit van banken is belangrijk voor het vaststellen wanneer er wordt gevist (instabiele banken eerst, sturend voor huidige visplannen). Daarnaast geeft stabiliteit ook uitdrukking aan de (potentiële) natuurwaarde van een mosselbank doordat het een sleutelfactor is in de ontwikkeling en overleving van meerjarige banken. Meer inzicht is gewenst in de factoren die de stabiliteit bepalen (Vugteveen et al. 2014). Essentieel is het goed volgen van overlevings- en sterftefactoren op banken die recent voor visserij gesloten zijn.