Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Walter analyse

Onderdeel van Schelpdiervisserij

 
 

Coherent monitoringprogramma

Het instellen van een coherent monitoringprogramma schelpdieren in de Waddenzee is een belangrijk doel met het oog op toetsingskaders en transitieprocessen van visserij- en natuurbeleid (N2000) en de hieraan gekoppelde beleidsevaluaties en effectstudies. De gegevens van de WOT survey, de sector (PO-mosselcultuur) en SIBES vormen een belangrijk uitgangspunt. Dit geldt specifiek voor het evalueren van de effectiviteit van maatregelen en daartoe benodigde draagkrachtschattingen. De vraag om draagkracht-gerelateerd onderzoek zal naar verwachting toe gaan nemen.

Optimaliseren meetnetten

De Waddenzee wordt vrij goed gemonitord op biogeografisch niveau (WOT Schelpdierenprogramma, MWTL benthos programma, Paijmans & Asjes 2012). De meetnetten (WOT/PO-mosselcultuur, MWTL) geven gezamenlijk een goed beeld van met name het litoraal van de Waddenzee (habitattype H1140A). Het sublitoraal (habitattype H1110A) wordt vooralsnog hoofdzakelijk in de westelijke Waddenzee meegenomen, deels via de dataset van de sublitorale mosselzaadsurvey (MarinX en IMARES). Deze data zijn nog niet voldoende opgewerkt en gecontroleerd om momenteel volledig te worden benut (pers. comm. K. Troost). Voor het sublitoraal van de oostelijke Waddenzee, met name de stroomgaten (hele andere habitats), is niet goed bekend welke (indicator)soorten, inclusief exoten, aanwezig zijn. Deze kennis is echter wel nodig voor richtlijnen zoals de KRW.

In het kader van veranderingen in de mossel- en garnalensector wordt nader uitgewerkt in hoeverre de WOT meetnetten geoptimaliseerd kunnen worden, zodat ook het sublitoraal voldoende gevolgd wordt om de effectiviteit van genomen maatregelen te volgen. Het laatste wordt ook nagegaan voor het MWTL benthos-meetnet ten behoeve van de KRW (Rijkswaterstaat 2015). Nu wordt de MWTL monitoring eens in de drie jaar uitgevoerd. Hierdoor is het moeilijk, zo niet onmogelijk, uitspraken te doen over instandhoudingsdoelstellingen en trends binnen de zesjarige rapportage voor Natura 2000 (Paijmans & Asjes 2012).

Binnen de huidige schelpdiermonitoring ligt de nadruk op commercieel (potentieel) interessante soorten (mossel, kokkel, oester). Goede kwantitatieve informatie van soorten als strandgaper en nonnetje ontbreekt. Verder ontbreekt monitoring van benthossoorten die in lagere dichtheden voorkomen, en van exoten zoals de Amerikaanse zwaardschede. De huidige monitoring van benthos in de Waddenzee resulteert wellicht in een forse onderschatting van het totale schelpdierenbestand (Tulp et al. 2010).

Sublitorale monitoring

De monitoring van het sublitoraal is ruimtelijk onvoldoende met het oog op gebiedsdekkende drachtkrachtschattingen (voor natuurbeleid en aanvullend systeembegrip). Het gaat om de sublitorale delen van de westelijke Waddenzee waar geen mosselen verwacht worden en het sublitoraal van de oostelijke Waddenzee (afgezien van enkele stations in de WOT mossel/kokkel survey). Optimalisatie van sublitorale monitoring is van belang om de ontwikkeling van een invasieve exoot als de Amerikaanse zwaardschede beter te volgen. Deze soort is inmiddels talrijk in de Waddenzee en de larven vormen een belangrijk zoöplanktonbestand in een deel van het jaar. Eiders en scholeksters eten Amerikaanse zwaardschedes. Eiders profiteren waarschijnlijk vooral van periodes met massale natuurlijke sterfte van de schelpdieren (Tulp et al. 2010). De scholeksters foerageren op de zwaardschedes in het litoraal en kunnen die bestanden helemaal uitputten (pers. comm. B. Ens).

Binnen het WOT Schelpdierprogramma wordt sinds 1995 jaarlijks de verspreiding en de bestanden van schelpdieren in de Nederlandse kustzone (Perdon et al. 2014) bepaald. De laatste jaren is de aandacht verschoven van halfgeknotte strandschelpen naar mesheften (de verzamelnaam van messcheden, zwaardscheden en tafelmesheften). Echter, er zijn aanwijzingen dat de standaard sampling technieken, zoals gebruikt in de WOT en SIBES surveys, een onderschatting geven van het totale bestand aan diep gravende schelpdiersoorten zoals de strandgaper en Amerikaanse zwaardschede. Met de technieken zoals gebruikt in de WOT survey worden de sifonen van strandgapers en de topjes van de mesheften op een diepte van 7-10 cm afgesneden en geteld. Het is goed mogelijk dat met name de grotere individuen, die dieper in de bodem zitten, worden gemist.

Hoewel het totale bestand waarschijnlijk onderschat wordt, Jansen et al. (2008) vonden een onderschatting van de biomassa van Mya en Ensis met minimaal een factor 7 (Tulp et al. 2010), geven de verzamelde gegevens wél inzicht in de bestandsdynamiek, als aangenomen wordt dat de mate van onderschatting constant is en hooguit varieert met verschillen in populatiesamenstelling. De onderschatting veroorzaakt mogelijk dermate veel variatie dat verbanden tussen bestandsdynamiek, visserijdruk en vogels niet aangetoond kunnen worden (Craeymeersch et al. 2007). Uitbreiding van de huidige monitoring (o.a. van Amerikaanse zwaardschede) staat momenteel echter niet op de agenda omdat er vanuit de doelstellingen van het WOT Visserij programma (vooralsnog) geen behoefte aan is (pers. comm. K. Troost).

Visserijproductiegegevens worden adequaat bijgehouden door de sector. Wat betreft monitoring van handkokkelvisserij is aanvullende registratie van vangstplekken en locatie-specifieke vangstgewichten gewenst (vanuit gestelde MSC criteria). Deze moet nog worden opgezet.

Aanvullende gegevens

De WOT survey vindt plaats in het voorjaar. Tijdens een workshop in het kader van Mosselwad, september 2014, concludeerden de aanwezige experts dat het voor goed beheer van schelpdierbanken (bescherming, visserijbeleid, tegengaan mogelijke effecten zeespiegelstijging) verstandig zou zijn om monitoring ook in najaar en winter uit te voeren. Dit levert aanvullende gegevens op over factoren als broedval en stabiliteit op de lange termijn van (nieuwe) banken. Een beeld van nieuwe (zaad)banken in het najaar is wellicht te verkrijgen via remote sensing technieken, zoals luchtfoto’s of satellietbeelden. In eerste instantie gaat het om bepaling van voorkomen en oppervlaktes (pers. comm. N. Dankers). De zaadbank valt in juli-augustus en is in september herkenbaar als bank. Vaak ontwikkelen zich grote zaadbedden in de herfst. Deze worden momenteel niet onderzocht, waardoor er geen goed beeld bestaat hoe veel van deze banken verdwijnen in de eerste winter, welke het betreft en welke oorzaken eraan ten grondslag liggen (storm of predatie?). De kleine schelpjes in zaadbanken zijn van belang voor veel vogels. Een deel van de zaadbanken verdwijnt weer het eerste jaar. Voor mosselen is de omvang van bestanden op percelen binnen PRODUS goed gevolgd, maar sindsdien niet meer. Voor kennis over de totale mosselbestanden in de gehele Waddenzee blijft, naast de wilde banken, ook kennis over de omvang van mosselbestanden op de percelen van belang (ook met oog op het belang van deze percelen voor eiders).

Samenvatting

  • Betere kennis van de biomassa en distributie van schelpdiersoorten kan van wezenlijke invloed zijn op standpunten over het functioneren en de draagkracht van de Waddenzee. Momenteel is onvoldoende bekend welke soorten aldaar in het sublitoraal voorkomen
  • Betere bestandsschattingen van diep ingegraven soorten, en in bredere zin een beter beeld van de sublitorale delen, zijn nodig om (Waddenzee-breed) de effecten van menselijk handelen goed in te kunnen schatten
  • Gezien de grote biomassa waarin soorten als Amerikaanse zwaardschede en strandgaper voor kunnen komen, en de effecten daarvan op het ecosysteem, verdient het aanbeveling in elk geval deze soorten beter te monitoren.
  • Voor drachtkrachtbepalingen in relatie tot visserij, en de evaluatie van maatregelen in het kader van transitieprocessen, verdient het aanbeveling de najaarsmonitoring van broedval en (nieuwe) banken weer op te starten
  • Een coherent monitoringprogramma van schelpdieren en -structuren, de gehele Waddenzee omvattend, kan mede gefaciliteerd worden door de inzet van nieuwe technieken, waaronder Remote Sensing