Thema’s

Alle thema’s waarin WaLTER adviseert.

overzicht

Tools

Alle tools die WaLTER heeft ontwikkeld.

overzicht

Publicaties

Alle publicaties die door WaLTER zijn uitgebracht.

overzicht

Over WaLTER

Alle informatie over het project en de partners.

overzicht
Achtergrond Informatiebehoefte Huidige monitoring Walter analyse Walter advies Referenties Bijlagen
 

Walter advies

Onderdeel van Toerisme

 
 

Ruimtelijke specifiteit

Het is aanbevolen de CBS-monitoring van bezoekers van het waddengebied niet te beperken tot de eilanden maar uit te breiden tot de vastelandskust. Ruimtelijke specificiteit wordt steeds belangrijker voor het begrijpen van lokale ontwikkelingen in werkgelegenheid omdat dit mogelijkheden biedt tot koppeling met lokale gegevens over wadden-toerisme/toeristische activiteiten. Monitoring van de herkomst van bezoekers geeft inzicht in de aantrekkelijkheid van de wadden voor bezoekers uit interregionale en internationale marktgebieden (Sijtsma et al. 2012, Sijtsma & Daams in prep.).

Hotspotmonitor

Voor effectief toeristisch beleid, inclusief ruimtelijk-economische afwegingen, is ook kennis nodig over de motieven die toerisme in het gebied sturen. Voor het waddengebied is in het bijzonder de natuurbeleving relevant (Sijtsma et al. 2012, Vugteveen et al. 2014a). Structurele gegevens over aard en locatie van natuurbeleving, alsmede motieven en herkomst van toeristen, zijn essentieel om toerisme duurzaam te ontwikkelen. Een bewezen instrument om beleving te meten is de Hotspotmonitor (HSM). De HSM is, in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving, door de Rijksuniversiteit Groningen ontwikkeld. De HSM meet de waardering van de natuur en de locatie van fans van de wadden. Een eerste HSM-pilot, uitgevoerd binnen WaLTER, bracht belangrijke nieuwe gegevens naar voren over de waardering van deelgebieden (binnen de internationale wadden) en het aantal waddenfans. Hierdoor ontstond, via Duitse respondenten, ook beter zicht op herkomst, frequentie van bezoek en natuurwaardering door toeristen uit ons buurland. Een dergelijke monitoring, tweejaarlijks internationaal uitgevoerd en gerapporteerd, zou zinvol zijn.

Onderstaande Figuur 5 toont Hotspotmonitor markers die nationaal aantrekkelijke plekken in de waddennatuur duiden (links). In de WaLTER-pilot enquête is in iedere provincie aan 100 respondenten gevraagd om, naast lokaal (binnen 2 km van de woning) en regionaal (binnen 20 km), ook op nationale schaal een aantrekkelijke plek te markeren. De figuur links, met resultaten voor markeringen op nationale schaal, laat zien dat het waddengebied als relatief zeer aantrekkelijk wordt ervaren, al zijn er grote verschillen in aantrekkelijkheid binnen het waddengebied. Daarnaast werd gemeten hoe de waardering voor de wadden regionaal verdeeld is (percentage van het aantal respondenten per regio, rechts). Zo markeerde 33% van in Drenthe woonachtige respondenten op de nationale schaal een plek in het waddengebied.

Om de beleving van toeristen ‘in het veld’ te meten, zijn smartphones/tablets heel geschikt. Hierbij wordt gedacht aan een mobiele applicatie (app) die GPS-tracking combineert met het meten van de beleving op locatieniveau. De filosofie hierachter is identiek aan de die van de HSM. Een dergelijke applicatie geeft inzicht in de routes die recreanten afleggen en de plekken die een hoge waardering krijgen. Het biedt unieke mogelijkheden om inzichten over gebruik en beleving van het waddengebied te koppelen.

Parameters

Om een ruimtelijk beeld te kunnen maken van de recreatiedruk zijn de volgende parameters van belang.

  • Omvang activiteiten per recreatievorm
  • Aantallen toeristen/recreanten, bijvoorbeeld aantal boten (per type), kitesurfers, wadlopers(groepen)
  • Duur en frequentie van activiteiten
  • Ruimtegebruik (oppervlakte).

Met deze parameters is ruimtelijke gespecificeerde informatie te verkrijgen over de intensiteit van recreatie. Bijvoorbeeld het gemiddeld/maximaal aantal (passerende) boten per dag per gridcel gedurende verschillende periodes (bijv. seizoenen).

Monitoringopties

Sluispassagetellingen recreatievaart
Deze monitoring, uitgevoerd bij alle toegangspunten tot de Waddenzee, kan worden gecombineerd met kennis over vaarroutes op basis van enquêtes onder pleziervaarders. Dit kan bijvoorbeeld met het model MASOOR (Multi Agent Simulation of Outdoor Recreation). Dit model simuleert het terreingebruik van verschillende typen recreanten op basis van gegevens over paden in het gebied, het gedrag van de recreanten en de aantallen passanten via de verschillende toegangen (Jochem et al. 2008). Minder voorspelbaar recreatiegedrag, zoals droogvallen, is waarschijnlijk lastig in beeld te brengen.

Locatiebepalingen scheepvaart op basis van radar/AIS
MARIN kan ruimtelijk gespecificeerde beelden van scheepvaart maken (gemiddeld aantal schepen per gridcel) op basis van positiebepalingen van schepen (Automatic Identification System, AIS). Momenteel is het bezit van een AIS alleen verplicht voor de beroepsvaart. Een deel van de recreatievaart wordt dus gemist. Als schepen geen AIS aan boord hebben, of deze niet hebben geactiveerd, kunnen ze echter in bepaalde gebieden op basis van radarreflecties worden gelokaliseerd.

Luchttellingen
Luchttellingen van recreatieve activiteiten zijn in het waddengebied toegepast voor de recreatievaart (Tamminga & Wagenaar 2001). In de Oosterschelde zijn ook ervaringen opgedaan met andere recreatievormen, zoals buitendijks fietsen en pierenspitten (Werkgroep Recreatie-onderzoek Deltawateren 2011, Henkens et al. 2012). Het lijkt een bruikbare methode om in één keer op grote ruimtelijke schaal alle recreatievormen vast te leggen. Nadeel is dat het momentopnames betreft. Om een goed beeld te krijgen van de dynamiek in recreatieve activiteiten, dient de opname herhaald te worden. De tellingen in het waddengebied werden vijf maal per zomer uitgevoerd, waaronder minimaal één maal bij laagwater. Deze methode kent verschillende nadelen:

  • Arbeidsintensief en relatief duur
  • In het waddengebied is voor vliegen toestemming nodig van de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL). Daarnaast gelden er momenteel strenge restricties op vliegbewegingen vanwege Defensie
  • Afzonderlijke activiteiten zijn lastig vanuit een vliegtuig (nauwkeurig) te registreren, zeker als er veel recreatieve activiteit is.

Tellingen van vaste wal of boottellingen
Activiteiten die vanaf de vaste wal of boten zichtbaar zijn, kunnen van daaruit worden gemonitord. Logistiek is dit eenvoudiger en beter uitvoerbaar dan vliegtuigtellingen. Er bestaan mogelijkheden om de tellingen mee te nemen in bestaande monitoring, bijvoorbeeld wadvogeltellingen. Zulke tellingen worden met regelmaat uitgevoerd.

Tellingen door recreatie-exploitanten
Aan organisatoren van wadlooptochten, natuureducatieve tochten en robbentochten kan worden gevraagd, om meer gedetailleerd dan nu (vanuit vergunningsverplichting), gegevens te registreren over het aantal deelnemers per excursie, de afgelegde route en activiteit. Mogelijk roept dit bij de exploitanten weerstand op vanwege extra administratie. Een uitbreiding van de verplichte registratie behoort eveneens tot de mogelijkheden.

Mobiele app voor recreanten
Mobiele applicaties (apps) met GPS zijn inzetbaar om inzicht te krijgen in het ruimtelijke gedrag van recreanten op het natte wad. Als een grote groep mensen hiervan gebruik maakt, kan ijking plaatsvinden aan concrete tellingen. De GPS-tracking steekproef kan dan worden vertaald naar absolute aantallen. Het levert ook gedetailleerde ruimtelijk informatie op over het gedrag van recreanten op het natte wad, zoals bij droogvallen van recreatievaartuigen, tijdens wandeltochten of pieren spitten. Nadeel van een app kan zijn dat er een bias ontstaat in het deelnemersveld waardoor de verzamelde dataset niet representatief hoeft te zijn voor het totale recreatiegedrag. Zo zal men geneigd zijn om bij niet toegestane recreatieve activiteiten af te zien van deelname aan de app.

Het overzicht Bruikbaarheid monitoringtechnieken (tabel 2, als bijlage toegevoegd), geeft een indicatie van de bruikbaarheid van verschillende vormen van recreatiemonitoring op het natte wad. Toelichting gebruikte symbolen: + geschikt, +/- matig geschikt, – niet geschikt. Open tabel Overzicht bruikbaarheid monitoringtechnieken. Vliegtuigtellingen of boottellingen/tellingen van de vaste wal lijken het meest geschikt om in één keer bruikbare informatie te verzamelen van meerdere recreatievormen. Aanvullende informatie is nodig voor excursie-achtige evenementen met een lagere frequentie, of activiteiten waarvan minder goed voorspelbaar is waar precies en wanneer ze plaatsvinden,  zoals droogvallen van recreatievaartuigen. Die informatie zou kunnen komen van exploitanten (wadlopen) en de recreanten zelf (bijvoorbeeld via apps).

Aanbevelingen

Vanuit efficiency overwegingen is het raadzaam om zo veel mogelijk gebruik te maken van bestaande monitoring. Voor vaarrecreatiebewegingen is de bestaande monitoring van sluispassages, in combinatie met kennis over de vaarroutes en een ruimtelijk model, zoals MASOOR, mogelijk voldoende. Hiermee worden andere recreatievormen echter niet gevolgd. Vliegtuigtellingen vonden in het verleden al plaats (Tamminga & Wagenaar 2001) en kunnen worden geëvalueerd op bruikbaarheid en praktische uitvoerbaarheid om alle recreatievormen vast te leggen. Een aspect dat hierbij aandacht vraagt, is de herhalingsfrequentie die nodig is voor een representatief beeld. Deze optie kan worden afgezet tegen de haalbaarheid van incorporatie van recreatiemonitoring in bestaande monitoring, zoals van wadvogels vanaf vaste wal en boten. Vragen die hierbij antwoord moeten krijgen zijn: is het praktisch uitvoerbaar voor tellers om recreatie mee te nemen in de tellingen, en wordt hiermee voldoende gebiedsdekking gehaald?

De werkbaarheid van een mobiele applicatie voor recreanten kan in een pilot worden getest, eventueel in combinatie met belevingsmonitoring. Antwoord is nodig op vragen als: hoeveel mensen zijn bereid om deze app te gebruiken en levert het een representatieve dataset op? Het is raadzaam om bij een pilotstudie een klein deel van het waddengebied uit te kiezen, waar meerdere recreatievormen met verschillende methoden gemonitord worden. Dit levert inzicht op in werkbaarheid en betrouwbaarheid van de methoden.

Impact recreatie

Inzicht in de impact van recreatie op natuurwaarden, in het bijzonder wadvogels en zeehonden, is cruciaal. Hieraan bestaat veel behoefte. Zowel voor het ontwikkelen van duurzaam toerisme als voor het beschermen van gebieden met grote natuurwaarden, onder andere in het kader van Natura 2000. Om (potentiële) effecten van toerisme/recreatie adequaat in beeld te brengen zijn, naast informatie over recreatieve activiteiten, gegevens nodig over

  • Ligging van leefgebieden van wadvogels en zeehonden
  • Verstoringsgevoeligheid van wadvogels en zeehonden voor recreatie.

Door deze informatie te koppelen aan de ‘recreatiekaart’ wordt duidelijk waar mogelijke conflicten zullen optreden. In het themadossier Natuurwaarden natte wad wordt ingegaan op het maken van leefgebiedskaarten voor wadvogels (laagwaterverspreiding) en zeehonden. Uit diverse studies is bekend dat recreatieve activiteit tot verstoring van vogels en zeehonden kan leiden. Zulke bevindingen zijn in verschillende gebieden opgedaan, waaronder het waddengebied (Spaans et al. 1996) en de Oosterschelde (Henkens et al. 2012). Krijgsveld et al. (2008) geven een overzicht van studies naar de verstoringsgevoeligheid van soorten voor verschillende recreatievormen. De kennis is onder meer vertaald in ‘verstoringsafstanden’ waarbinnen vogels vluchten of alert worden. De specifieke kennis over verstoring op het wad is samengevat in Fey-Hofstede et al. (2008).

Met verstoringsafstanden wordt veel gewerkt in effectstudies om zones af te bakenen waarbinnen vogels verstoord worden. Wat betekent echter verstoring voor de vitaliteit van populaties wadvogels en zeehonden in de Waddenzee? Hiervoor is aanvullende kennis nodig over dosis-effect relaties tussen blootstelling aan recreatie en de gedragsrespons van de vogels en zeehonden. Dit zijn complexe verbanden, zo kan bijvoorbeeld gewenning optreden bij regelmatige blootstelling aan recreatie. Er zijn nauwelijks studies beschikbaar waarin verstoringsreacties van vogels en zeehonden worden doorgerekend naar hun fitness. Dit onderwerp verdient nadere uitwerking.

Knelpunten

Basisanalyse ligging leefgebieden wadvogels en zeehonden t.o.v. recreatie-activiteiten
Als de laagwaterverspreiding van wadvogels en de leefgebieden van zeehonden in kaart zijn gebracht, kunnen deze beelden worden vergeleken met kaarten waarop de zonering van recreatie is aangegeven. Door een buffer te leggen rondom deze recreatiezonering, op basis van bekende verstoringsafstanden van vogels en zeehonden, wordt inzichtelijk waar mogelijk conflicten zullen optreden tussen recreatie en natuurwaarden (zie Fey-Hofstede et al. 2008, Henkens et al. 2012). Deze aanpak kan ook worden gebruikt voor de planning van recreatieactiviteiten. Deze exercitie is relatief eenvoudig uit te voeren mits er leefgebiedenkaarten van wadvogels en zeehonden beschikbaar zijn (zie themadossier Natuurwaarden natte wad) en de zonering van recreatie-activiteiten op de Waddenzee in beeld is gebracht.

Kwantificering gevolgen van verstoring voor vitaliteit van wadvogel- en zeehondenpopulaties
Het in kaart brengen van natuurwaarden en recreatiezonering, zoals hierboven omschreven, is een eerste stap. Om echter goed inzicht te krijgen in de impact van recreatie op wadvogels en zeehonden, is kwantificering nodig van de gevolgen van verstoring voor de vitaliteit van populaties. Dit is deels onontgonnen onderzoeksterrein. Een verkennende studie kan opties evalueren, zoals de werkbaarheid van individual based modellen om verstoringseffecten als energieverlies (door stress, verminderde voedselopname) door te rekenen naar populatie-parameters (Stillman et al. 2007). Een andere optie is het model WEBTICS (Rappoldt et al. 2004). Dit model baseert zich eveneens op het gedrag van individuen en is gebruikt voor studies naar effecten van bodemdaling en kokkelvisserij (Rappoldt & Ens 2013, Rappoldt et al. 2008). Het kan ook worden toegepast op verstoring, indien bekend is wanneer welk deel van het gebied door verstoring ongeschikt wordt om te foerageren. De bruikbaarheid van deze methoden kan het beste worden uitgezocht aan de hand van een goed bestudeerde soort, waarvan ecologie en populatieparameters bekend zijn, zoals scholekster of kanoet.

Inmiddels ligt er – deels naar aanleiding van het WaLTER monitoringadvies – een uitgewerkt monitoringplan voor Vaarrecreatie Waddenzee.

Referenties